dinsdag 11 september 2018

Droom op Monumentendag


Mijn RD-column van 8 september 2018

Vandaag – Open Monumentendag – zullen ongeveer een miljoen mensen een monument bezoeken. Reden om de vraag die René Cuperus pas in de Volkskrant stelde nog eens onder de aandacht te brengen. Cuperus vroeg zich af of het ons nog wat doet dat er zoveel kerken gesloten worden. De getallen zijn niet kinderachtig: het zou gaan om ongeveer de helft van de 4200 kerkgebouwen die Nederland rijk is. Cuperus: ‘Het valt te hopen dat de post-christelijke generatie bij het aanstaande proces van sloop en herbestemming van kerken respect zal weten op te brengen voor de emotionele en spirituele betekenis van kerkgebouwen voor gelovigen.’ (linkFloor Rusman borduurde er in NRC Handelsblad op voort. Ze gewaagde van ‘verbondenheid’ met de mensen die er voor ons zijn geweest, die de kerken hebben gebouwd en onderhouden. (link

Mooi dat Cuperus en Rusman dit vinden en opschrijven. Tegelijkertijd klinken hun verzuchtingen behoorlijk hopeloos; met ‘respect’ en ‘verbondenheid’ gaan we het namelijk niet redden. Wij niet, en de Nederlandse kerkgebouwen ook niet.

Kerkgebouwen met alles erop en eraan zijn gemaakt om mensen met God in ontmoeting te brengen. Als een kerkgebouw die functie niet meer heeft – als er geen kerkdiensten meer in gehouden worden – dan is het gebouw als kerk dood, ook als het een stijlvolle boekhandel, concertruimte of museum geworden is. Vandaar het gevoel van treurnis als we een kerk bezoeken die geen kerk meer is. Prachtig – zoals een opgezette vogel prachtig is.

Daarom nu een luchtkasteel, een droom op Monumentendag. Als ‘zij’ het niet doen, dan doen wij het gewoon. Vanaf nu laten reformatorische of evangelische gemeenten die uit hun jasje groeien geen nieuwe gebouwen meer neerzetten. In plaats daarvan betrekken ze kerken die afgestoten dreigen te worden.

Daarmee behoeden ze die gebouwen voor sloop en ontluistering en bewijzen ze de maatschappij een grote dienst. Respect en verbondenheid in optima forma – en dan niet met woorden alleen.

Want er zijn natuurlijk allerlei bezwaren. Parkeerproblemen: stel dat dat oude gebouw nu eens niet door ettelijke hectares geasfalteerd parkeerterrein omgeven is. En de locatie, want daar valt vast veel op aan te merken. Over de onderhoudskosten zullen we het maar helemaal niet hebben.

Maar dat is allemaal op te lossen. Parkeerproblemen? Vanaf nu laten we die grote verstoorder van de zondagsrust (het woord heeft vier letters en begint met een a) eens echt thuis. Locatie: zou er geen zegen uitgaan van een kerk die echt in de bewoonde wereld staat? Kosten? Alsof nieuwbouw gratis is. Ook belangrijk:  in veel van de af te stoten kerken staan fatsoenlijke orgels – hoeven we niet meer te luisteren naar elektronische surrogaten.

Droomt u lekker verder, deze Monumentendag?

Onkruid


Mijn RD-column van 9 juni 2018

Tuinieren doe je om je hoofd leeg te maken, zegt men wel eens. Zou het echt? Het lastige is dat je hoofd – mijn hoofd – helemaal niet leeg raakt tijdens het tuinieren. Een bont geheel van kleuren en vormen, gezang, gezoem en de geur van blad en bloem dringen zich op aan de tuinier. Nog los van allerlei zinrijke gedachten. Staat daar nu óók nog een brandnetel? Moet die roos nog opgebonden worden? Zal ik de guldenroede er nu maar eens echt definitief uithalen? Werkelijk nadenken lukt alleen bij werk dat geen denkkracht vereist, zoals onkruid tussen de tegels weghalen. En dan nog: het mes dat je hanteert, graaft dieper dan je gedachten.

Als er dan al iets als een echte gedachte komt, dan is dat meer een soort refrein, een waarheid die dienst doet als een bezweringsformule - zoals, in mijn geval: ‘Het onkruid wint het laatst gevecht.’ We houden die regel hier graag voor aan al te secuur tuinierende familieleden, maar ook voor mijzelf is hij een nuttig medicijn.

Want het is waar: het mos is volgend jaar gewoon weer terug, de winde zal weer wapperen boven de andere borderplanten, de paardenbloem zal er zijn in het gazon. (Moge de Japanse duizendknoop aan ons voorbijgaan!) We kunnen ze bestrijden, maar niet overwinnen; terugdringen, maar niet vernietigen. En dat is een wetenschap die bescheiden maakt, die voorkomt dat je naar perfectie streeft, naar een utopie die je komt te staan op levenslange kramp.

‘Het onkruid wint het laatst gevecht.’ Ida Gerhardt schreef de regel, en het gedicht waarin hij staat, heet ‘Lof van het onkruid’. Beton en asfalt, de stoomwals, een bom – ze staan in dit gedicht voor de mens die zijn omgeving probeert te knechten. Maar het lukt niet. Wij hebben niet het laatste woord.

Achter de stoomwals valt weer zaad: / de bereklauw grijpt om zich heen. / En waar een bom zijn trechter slaat / is straks de distel algemeen.

Het gedicht lijkt met nadruk naar het socialisme te wijzen (waarbij het onkruid op ‘millioenen’ ontrechten slaat), maar daar trek ik me niet zoveel van aan. Gerhardt zingt de lof van het onkruid, en zelfs betrekt ze daar de Schepper in van al wat leeft:

Godlof dat onkruid niet vergaat. / Het nestelt zich in spleet en steen, / breekt door beton en asfalt heen, / bevolkt de voegen van de straat.

Tuinieren om je hoofd leeg te maken? Misschien dan toch: het is een les in bescheidenheid, in het temperen van ambities. Het geeft een besef dat we de dingen niet naar onze hand kunnen zetten. Het wijst een mens zijn plek.


Lampje


Mijn RD-column van 28 april 2018

Als ik nieuwe literatuur lees, vind ik het vaak minder goed dan ik op grond van de recensies verwachtte. Maar deze keer is dat anders. Lampje (2017) van Annet Schaap is grandioos.

We hebben Lampje hier gezinsgewijs gelezen. De uitgever vermeldt op zijn website een leeftijd van tien tot twaalf jaar. Maar leeftijd zegt niets. Elke voorleessessie eindigde hier met een hevig verlangen naar de volgende hoofdstukken, waarop met smart een week werd gewacht, en dat gold voor vijf- én voor veertigjarigen.

Wat maakt Lampje zo goed? Eigenlijk alles: het verhaal, de stijl, de personages, de taal, de thematiek. Lampje gaat over een jong meisje, dat met haar drankzuchtige vader opgroeit in een vuurtoren. Haar moeder is overleden en Lampje (alias van Emilia Waterman) krijgt van haar vader een verantwoordelijkheid te dragen die de lezer haast fysiek terneerdrukt.

Het gaat natuurlijk fout. Lampje maakt in een gierende storm een tocht over het pad naar de stad, een pad van stenen door de zee, ‘onregelmatig als een slecht gebit’. Ze gaat lucifers halen, want het licht van de vuurtoren moet aan. Hoe ze zelf thuiskomt zal ik niet vertellen, maar de lucifers die ze heeft gehaald komen níet thuis. Geen licht in de vuurtoren, een schip dat vergaat, en een klein moederloos meisje dat de schuld op zich neemt. Annet Schaap deelt nogal wat mokerslagen uit in het eerste deel van haar boek.

In de volgende delen komt er een hoofdpersoon bij: het monster in het Zwarte Huis waar Lampje heen moet, een monster dat een getergd jongetje blijkt te zijn. Of eigenlijk geen jongetje, maar… Leest u het boek vooral zelf. Of lees het voor. De taal van Annet Schaap leent zicht daar uitstekend voor; haar zinnen hebben een aanstekelijk ritme.

En bijna elke zin die ze schrijft bergt een verrassing in zich: een onverwachte innerlijke dialoog, een plotseling uitzoomen van het perspectief, een beeldend detail waaruit de achtergrond van Schaap blijkt. Ze heeft namelijk een grote naam als illustrator. ‘Lampje’ is haar debuut als schrijver. Neem deze zin: ‘Dan gaan de struiken opzij en Nick komt tevoorschijn.’ Bijna iedereen zou hebben geschreven: ‘Dan komt Nick uit de struiken tevoorschijn.’ Maar Annet Schaap heeft alles wat er in haar boek gebeurt gezien en dankzij haar talent ziet de lezer het ook.

Is er dan helemaal niets op ‘Lampje’ aan te merken? Hier thuis werd het slot van het boek met een 7,5 beoordeeld, tegen een 9,5 voor de rest. Ook mag de voorlezer een enkel woord vervangen door een welvoeglijker synoniem. Voor het overige ben ik het geheel eens met de jury’s van de Nienke van Hichtum Prijs en de Woutertje Pieterse Prijs, die Annet Schaap als winnaar aanwezen.

Er volgen nog een paar prijzen, dit jaar, vast en zeker. En vertalingen, het kan niet anders.

Lees Thijsse!


Mijn RD-column van 17 maart 2018

Lang heb ik bij vrijwel elk dier dat ik onderweg tegenkwam kunnen citeren wat Jac. P. Thijsse erover schreef. Van de houtduif die zijn liedje pleegt af te sluiten met een staccato slotnoot die uit het niets lijkt te komen tot de fitis die met bloeiende berkenkatjes speelt, van de manier waarop aardhommels helmbloemen ‘kraken’ tot de populariteit van de rode spoorbloem onder nachtvlinders – mijn kennis had ik van Thijsse.

Het begon met een Verkadealbum dat ik cadeau kreeg, omstreeks 1990, toen ik een jaar of twaalf was. Het album  was De bloemen en haar vrienden – de heruitgave uit 1984. Later, in 1993, kocht ik in een antiquariaat Het vogeljaar, een boek dat me eindeloos heeft vermaakt, op lange lege zondagen en in eenzame vakantiedagen. Geleidelijk aan groeide de Thijsse-collectie tot een boek of twintig (lang niet compleet dus, ik ben geen collectioneur). Nog steeds zijn De bloemen en haar vrienden en Het vogeljaar mijn grote favorieten.

Wat deed je op uit het lezen van al die boeken van Thijsse? Kennis natuurlijk, maar toch: als het gaat om  het leren herkennen van soorten vogels, insecten en planten, heb ik niet zo veel aan Thijsse gehad. Wat je van Thijsse leerde was vooral een manier van kijken: hij ging rustig een half uurtje bij een bramenstruik zitten om het gedrag van een spinnendoder (een soort wesp) te observeren en zijn smakelijke weergave van wat hij gezien had deed je dan vaak besluiten om zelf ook eens te gaan kijken wat er buiten allemaal gebeurde. Thijsse schrijft ergens dat hij in de loop der jaren op elke dag van het jaar wel een zanglijster heeft horen zingen – en dus lette je ook op hete zomerdagen goed op of je ergens een lijster hoorde (meestal niet). Wat ook schitterend was: Thijsse noteerde van allerlei vogels de zang in notenschrift, iets wat, als je het zelf probeert te doen, buitengewoon lastig blijkt te zijn.

Thijsse lezen was trouwens een bitterzoet genoegen. Een album als De bonte wei  heb ik eigenlijk nooit durven lezen, in de wetenschap van alles wat er (ook vijfentwintig jaar geleden al) in Nederland verloren was gegaan. In Thijsses tijd lag de overvloed nog gewoon overal naast de deur. Overigens was hijzelf – rasoptimist – zelden alleen maar kritisch over de veranderingen die zich voltrokken. Maar het is een gruwel om je voor te stellen hoe het zou zijn als Thijsse nu een wandeling over het Nederlandse platteland zou maken.

Het is (nog steeds) Boekenweek, met de natuur als thema. Laat al die nieuwe boeken maar in de boekwinkel liggen, bezoek een fatsoenlijk antiquariaat een neem een stapeltje Thijsse mee. U zult er uw leven lang geen spijt van krijgen.

donderdag 22 februari 2018

De solovoornaam

Mijn RD-column van 3 februari 2018

Het valt me de laatste jaren op dat mensen steeds vaker worden gereduceerd tot hun voornaam. Als docent zie ik dat leerlingen het over ‘Rosanne’ hebben en niet over Hertzberger, en over ‘Arthur’ als ze Japin bedoelen. Ook als het over auteurs gaat die al even uit de tijd zijn duikt de solovoornaam op: Haasse wordt Hella genoemd en Bordewijk heet Ferdinand. Dat is geen daad van rebellie. De zeventienjarige die het over Hella en Arthur heeft, is in zijn wereld niet anders gewend.

Mensen duiden ook zichzelf steeds vaker aan met alleen de voornaam. We kennen het allemaal van voorstelrondjes: ‘Hallo, ik ben Mark!’ en ‘Hi, ik ben Suzan!’ Ook hiervoor geldt: iedereen doet het, en het lijkt al snel pedant als je er niet aan meedoet. De vraag is wat er precies gebeurt op het moment dat we onze namen halveren door onze achternaam te amputeren.

Een prachtig essay over naamgeving, geschreven door Amy en Leon Kass, in 1995 gepubliceerd in het magazine “First Things”, bracht me op ideeën over een antwoord op deze vraag. Het echtpaar Kass schrijft over het fraaie midden dat we in ons systeem van naamgeving gevonden hebben tussen de uitersten van collectivisme enerzijds en individualisme anderzijds. Aan de ene kant is daar onze voornaam, die we van onze ouders gekregen hebben en die onze individualiteit onderstreept. Aan de andere kant toont onze achternaam dat we individuen zijn in de context van een familie, niet alleen ‘families of origin’, maar ook ‘families of perpetuation’: met de blik naar het verleden, maar ook naar de toekomst.

Wie zichzelf of een ander reduceert tot een voornaam, heeft kennelijk de behoefte om mensen eerst en vooral, en misschien wel uitsluitend, als individuen te zien, los van de context van hun familie. De andere suggestie die ervan uitgaat is dat het onderscheid tussen het privé- en het publieke domein er niet toe doet. Populair gezegd: ik ben altijd en overal mezelf.

In dit verband noteren Amy en Leon Kass de pijnlijke signalering dat in het verleden juist slaven van hun achternaam en daarmee van een echt privéleven werden beroofd. Het verlies van hun achternaam was een aanwijzing voor het verlies van hun waardigheid. Wie in de publieke sfeer geen achternaam heeft, is ook daar een privépersoon - en dat komt erop neer dat zo iemand het zonder privéleven moet doen. Het gebruik van onze voor- én achternaam onderstreept de delicate grens tussen privé en publiek.

Dat maakt het zo bevreemdend om over Hella, Arthur en Ferdinand te lezen. Hetzelfde geldt voor de voorstelrondjes met de voornaam alleen. We hebben immers niet met Haasse, Japin en Bordewijk geknikkerd. En of we met elkaar gaan knikkeren, dat weten we toch zeker niet al bij de eerste kennismaking.




Walnoot vs. sterappel

Mijn RD-column van 30 september 2017

We zijn eerder dit jaar verhuisd, en daarmee is een oude droom uitgekomen: er staat een walnotenboom in onze tuin. Die boom hebben we niet zelf geplant. Hij stond er al toen we het huis kochten, volgroeid en wel. Nu, eind september, zijn de vruchten gerijpt, de schillen barsten open, de noten vallen bedaard in het gras. Je hoeft ze alleen maar op te rapen.

Toch is het alsof de noten die we oogsten de onze niet zijn, alsof onze walnoot nog de boom van iemand anders is. Het zijn de vorige bewoners van ons huis die hem geplant hebben, verzorgd en al die jaren meegemaakt. Wij kwamen en troffen hem aan: met dankbaarheid weliswaar, maar toch alsof hij zich bevond in het niemandsland dat zich uitstrekt tussen ons en de vorige bewoners. En daar staat hij nog steeds.

De boom van mijn jeugd was geen walnoot, maar een sterappel. Hij was vele tientallen jaren oud, uitgegroeid tot een reusachtig formaat, overdadig in bloei en vrucht ; mocht u niet weten wat een sterappel is: het is een kleine appel, dieprood van kleur, een rood dat zich niet beperkt tot de schil, maar dat vaak ook het vruchtvlees kleurt. Geur, kleur en smaak zijn geheel eigensoortig.

Die sterappelboom is er voor mij altijd geweest, hij heeft nooit in niemandsland gestaan. Hij behoorde tot de categorie van dingen die reeds bestaan in onze vroegste jeugd en die we ons nauwelijks hoeven toe te eigenen. Ze zijn er; ze zijn deel van de wereld, die gaandeweg onze wereld wordt. We weten van geen tijd dat ze ons nog vreemd waren. Zo vertrouwd kunnen ze ons zijn dat we schrikken als we op zekere leeftijd hun vreemdheid beseffen – een schrik die in feite een onderstreping is van de vertrouwde verhouding die we ermee hadden opgebouwd.

Kunnen we ons dan wel hechten aan iets wat later in ons leven zijn intrede doet? Uiteraard, zij het alleen na verloop van tijd. Het delen van een geschiedenis met iets leidt vrijwel altijd tot een soort hechting. (Het kan immers niet zo zijn dat in nieuwbouwwijken alleen maar ongehechte types leven.) Maar het schijnt me toe dat de hechting aan iets wat we later verwerven, nooit de intensiteit krijgt van de binding aan datgene-wat-er-altijd-al-was. De walnoot is een groot cadeau, maar de sterappel was een groter: een geschenk van het soort dat we krijgen zonder zelfs maar te weten dat we het krijgen.


maandag 24 juli 2017

Geloof en geloof

Mijn RD-column van 17 juni 2017

We zaten in een tuin, beschaduwd door een flink opgeschoten wilg, en het gesprek ging over geloof. Geloof is wat een schrijver van ons vraagt wanneer we een roman of gedicht lezen - maar is dat net zoiets als het geloof dat we in de kerk belijden?

We kwamen daarop door De vlek (2011) van Willem Jan Otten, een vertelling in dichtvorm over Abel Kans. Bij Abel is een grote vlek op de longen ontdekt. Later blijkt echter dat er foto’s zijn verwisseld: de vlek is van iemand anders, van de priester Josefsson.

Josefsson (de naam is een opzichtige hint) neemt als het ware de vlek over van Abel en is daarmee zijn plaatsvervanger: Ottens vertelling gaat over plaatsbekleding.

Tot zover is het verhaal voorstelbaar. Vreemd wordt het echter als beide personages overlijden. Abel sterft namelijk de serene dood van Josefsson; de priester komt op de manier van Abel, schreeuwend en tierend, aan zijn einde – en daarbij spreekt hij ook nog Abels platte Amsterdams, terwijl Josefsson voorheen een exotisch soort Nederlands sprak.

We constateerden dat Otten hier alle grenzen van de waarschijnlijkheid overschrijdt. Het kan gebeuren dat er foto’s worden verwisseld en het kan gebeuren dat mensen door een ziekte veranderen, maar dat de ene mens in een behoorlijk letterlijke zin van het woord iemand anders wordt? En dat die andere mens dan die ene wordt?

Toen viel dus het woord geloof. Wat een schrijver van ons vraagt is geloof, zei iemand. En zo begrepen we in elk geval wat Otten in ‘De vlek’ beoogt. Hij legt zijn lezers de vraag voor of ze werkelijk in plaatsbekleding kunnen geloven, door ze nog eens te laten zien hoe vreemd, onwaarschijnlijk en onvoorstelbaar het eigenlijk is.

Maar, zei iemand, kun je daar wel het woord ‘geloof’ voor gebruiken? Is het geloof waarmee we een schrijver geloven als hij een verhaal aan ons vertelt net zoiets als het geloof waarmee we het Evangelie geloven?

Hier had Augustinus ons kunnen helpen, bedacht ik achteraf. Aan hem wordt de onderscheiding toegeschreven tussen twee soorten geloof: het geloof als handeling (fides qua creditur) en de geloofsinhoud (fides quae creditur). Geloven als handeling is: ‘ik geloof hem’. De geloofsinhoud is: ‘dat is wat ik geloof’.

Zo hadden we het dus kunnen zeggen, denkend over geloof en plaatsbekleding in de schaduw van die wilg: verhalen verwachten van ons dat we in staat zijn tot geloof-als-handeling; het Evangelie verwacht daarbij ook dat we de geloofsinhoud als Waarheid aannemen. Dat is bij een verhaal net even anders.