vrijdag 28 januari 2011

Lucifer onder vuur



Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 28 januari 2011


Christenen van gereformeerde snit hebben over het algemeen met argwaan naar het toneel gekeken. Er kleefde een smet aan, van afgoderij, van licht- en onzinnigheid. En wat dan als er een treurspel verschijnt over de val van de engelen, waarbij de toneelaanwijzing droogweg luidt: ‘Het toneel is in den hemel’? Joost van den Vondel hoefde in 1654 niet te rekenen op bijval van gereformeerde kansels voor zijn nieuwe toneelstuk Lucifer.

Deze maanden toeren de Vlamingen van Theater Zuidpool met hun Lucifer door Nederland en België. Slechts drie acteurs, onder wie Jan Decleir, vertolken de rollen. Het grootste deel van de tijd gaan ze schuil achter meer dan manshoge poppen, die als het ware door de spelers worden bediend. Vondels tekst is bekort, maar verder niet bewerkt. Anderhalf uur lang gaat zijn prachtige kunsttaal door de zaal, uitgesproken op z’n Vlaams. Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf behoudt!
Aan het begin van het verhaal zingt in de hemel een gerucht rond: de pasgeschapen mens zal door God verheven worden boven de engelen. Bij een deel van de engelen zet dat kwaad bloed. Zij komen onder aanvoering van Lucifer in opstand. Het vermeende onrecht raakt Lucifer het hardst: hij was aangewezen als Gods plaatsvervanger en meteen al wordt hij gepasseerd door een basterdij, gevormd uit klei en stof. De strijd tegen Michaël en de zijnen kan hij niet winnen. Hij eindigt beneveld en verblind en ijselijk misvormd.

De Amsterdamse predikanten hadden een hele rij bezwaren tegen het stuk. Geeraard Brandt, Vondels eerste biograaf, vertelt dat er zelfs op de kansels tegen Lucifer werd gewaarschuwd. ‘Sommige predikanten bestraften openlijk op stoel dat men zulke Bijbelstof en de hemel met de engelen op het toneel bracht; dat men ’t heilige vermengde met menselijke vonden en daar een spel van maakte. In dit spel, zeiden ze, waren onheilige, onkuise, afgodische, valse en gans stoute dingen, al te spitsvondig uit menselijke hersenen gezogen, begrepen.’ Op 2 en 5 februari 1654 (volgende week precies 357 jaar geleden) werd het stuk gespeeld en daarna was het uit. Verboden.
De theatermakers van Zuidpool benadrukken anno 2011 dat het verhaal van Lucifer een menselijk bedenksel is. De mens heeft de engelen bedacht. Dat wordt uitgebeeld door de acteurs die engelpoppen bespelen. Jurgen Cassier van Zuidpool zegt: ‘Als theatermaker geef je zo een signaal: “Het is ook maar een sprookje, het is ook maar een verzinsel van ons.”’ Daarmee gaan ze wel een heel andere kant op dan Vondel zelf, die in zijn inleiding op het stuk allerlei autoriteiten aanhaalt om het maar géén verzinsel te laten lijken.

Het is blijkbaar niet makkelijk om te leven bij grijstinten. De dominees wilden alleen de waarheid horen (en vielen daarom de verzinsels aan), de theatermakers willen alleen maar verzinsel (en zetten daarom de waarheidspretentie te kijk). Jammer is dat, want veel grote kunst bevat zowel Wahrheit als Dichtung, en die twee hoeven geen vijand van elkaar te zijn. Zulks bewijst ook Lucifer.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten