Posts tonen met het label C.S. Lewis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label C.S. Lewis. Alle posts tonen

donderdag 15 juni 2017

Progressieve chantage

Mijn RD-column van 25 maart

In de media lees ik dat de theoloog Tim Keller géén prijs krijgt van Princeton Theological Seminary. Dat zit zo: Keller zou op 6 april de Kuyper Prize krijgen vanwege zijn ‘innovatieve theologie’, maar omdat zijn standpunten door sommigen te conservatief worden bevonden, krabbelt het seminarie terug. Keller is namelijk tegen het bekleden van kerkelijke ambten door vrouwen en denkt conservatief over homoseksualiteit. Vrouwelijke dominees in de VS spreken over een ‘giftige theologie’ en nemen het woord ‘mishandeling’ in de mond.

Ik signaleer twee opmerkelijke aspecten aan deze kwestie.

De eerste betreft de tolerantie van de progressieve beweging, in de kerk in dit geval. Die tolerantie, waarop progressieven zich graag laten voorstaan, strekt zich blijkbaar uit tot allen die de juiste standpunten hebben – oftewel: niet zo ver. Je zou denken dat verdraagzaamheid juist opgebracht moet worden als iemand anders is of denkt dan jezelf. Het is namelijk nogal eenvoudig om verdraagzaam te zijn jegens iemand die in belangrijke opzichten lijkt op jezelf.

Vanwaar dit onvermogen om de tolerantie wat verder uit te strekken? Het zal te maken hebben met het bij progressieven onuitroeibare idee dat men het ethische gelijk aan zijn zijde heeft, en dat er dus verder niet geargumenteerd hoeft te worden. Conservatief denken over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit is in deze optiek niet eens onjuist, het is vooral slecht. En andersom: progressief denken is niet goed omdat het waar is, maar goed omdat het goed is.

Het tweede aspect heeft te maken met wat C.S. Lewis ‘bulverisme’ noemde: een manier van denken waarbij je er bij voorbaat van uitgaat dat je opponent het bij het verkeerde eind heeft en je denkt dat je alleen nog maar hoeft uit te leggen waaróm hij deze fout maakt. Probleem hierbij is dat je eerst moet aantonen dát je tegenstander een onjuist standpunt heeft – pas daarna kun je proberen te verklaren om welke reden hij dat standpunt inneemt.

Iets van dit bulverisme is aanwezig in de reacties op Keller: men suggereert dat hij zijn standpunt over vrouwen inneemt, omdat hij op vrouwen neerkijkt. Inderdaad: misschien kijkt Keller op vrouwen neer; misschien ook niet. Het maakt niets uit. Of hij vrouwen wel of niet minacht zegt namelijk niets over de juistheid van zijn ideeën over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden.

Zeker, mensen zijn complex, en de wordingsgeschiedenis van iemands overtuigingen is ingewikkeld. Maar wie in alle redelijkheid van gedachten wil wisselen, doet er goed aan om eerst maar eens te gaan kijken naar die overtuigingen zelf. Spijtig dat Princeton toegeeft aan deze morele chantage.

donderdag 29 december 2016

Verbicide

Mijn RD-column van 5 november 2016

We zullen de overheid dus steeds minder het woord ‘allochtoon’ horen gebruiken. Alle media hebben aandacht aan de nieuwe richtlijn besteed; toen een en ander werd gepubliceerd ontplofte Twitter als vanouds; iedere bekende en bijna iedere onbekende Nederlander heeft er inmiddels publiekelijk het zijne van gezegd.

Wat je ook van de beslissing als zodanig mag vinden, de argumentatie die erachter zit is op een abstract niveau zonder meer juist. Woorden zijn nu eenmaal onderhevig aan betekenisverschuivingen; ze krijgen in de loop van de tijd een negatieve of juist positieve lading en op de lange duur schijnen ze zo te veranderen dat ze vooral nog bruikbaar zijn als scheldwoord of als compliment. Zoiets is, aldus de instanties, ook met de term ‘allochtoon’ aan de hand: die werd geïntroduceerd als een neutraal begrip, maar zou meer en meer veranderd zijn in een beladen kwalificatie (lees: men gebruikt het woord vooral in relatie tot criminaliteit).

In zijn boek Studies in Words (1959) schrijft C.S. Lewis over ‘verbicide’ – het ombrengen van woorden. Een van de meest voorkomende vormen daarvan is volgens hem juist deze: dat we bepaalde woorden minder en minder gaan gebruiken om iets te beschrijven en steeds meer om iets te evalueren. Dergelijke woorden verworden uiteindelijk tot niets meer dan interessant klinkende synoniemen voor ‘goed’ of ‘slecht’, dan wel voor ‘hou ik van’ of ‘hou ik niet van’. Denk aan het woord ‘gentleman’. Ooit betekende dat: iemand met grondbezit en een familiewapen. Maar als we nu iemand een ‘gentleman’ noemen, bedoelen we vooral iets vriendelijks over hem te zeggen.

Voor mensen in het algemeen geldt trouwens dat ze meer lijken te houden van het uitdelen van lof of kritiek dan van het rustig beschrijven van de werkelijkheid. Deze neiging wordt vervolgens ook weer op anderen geprojecteerd. Mijzelf is het meermaals overkomen dat ik in een krantenstuk een poging deed om een verschijnsel uit te leggen of te verklaren, maar dat mijn poging werd opgevat als een krachtige be- of zelfs veroordeling. Natuurlijk moet een schrijver dan allereerst de schuld bij zichzelf zoeken. Maar het lijkt er toch ook op dat de lezer vaak liever wil weten wat de schrijver ergens van vindt dan hoe de schrijver denkt dat de wereld in elkaar steekt.

Dit alles heeft vervelende effecten. Een ervan is dat mensen die woorden wel willen gebruiken om iets over de werkelijkheid te zeggen (in plaats van over hun oordeel over de werkelijkheid) veelvuldig worden misverstaan, tenzij ze alles wat ze zeggen omstandig gaan toelichten. Ik kan niet goed inschatten of het woord ‘allochtoon’ al zozeer was aangetast dat het aan vervanging toe was. Maar voor alle andere woorden is het nog niet te laat: gebruik ze dus met zorg.

maandag 19 september 2016

Eerst liefde, dan pas haat

Zoals vaker is het C.S. Lewis die de vinger legt bij een te weinig gesignaleerde kwestie. Grasduinend in zijn boek De vier liefdes (1960) kom ik in het hoofdstuk over caritas terecht en wat ik daar lees doet me even opveren. ‘Het is’, schrijft Lewis, ‘niet ongevaarlijk om iemand de plicht op te leggen boven zijn aardse liefde uit te stijgen als zijn eerste moeite nog ligt in het toekomen aan die aardse liefde.’ Als we onze medeschepselen minder liefhebben, denken we maar al te gemakkelijk dat dat komt doordat we God meer liefhebben – maar wellicht is er een heel andere en minder positieve reden voor. We kunnen, aldus Lewis, ten onrechte het verval van de natuur aanzien voor een groei in de genade.

Aardse liefdes, dat zijn de liefdes waarover Jezus spreekt in Lukas 14 vers 26: de liefde tot je vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen. Het gaat om de mensen in onze directe omgeving, en we weten dat Jezus ons oproept om ze te ‘haten’. Maar in deze oproep is, zoals bijna overal in de Bijbel, iets verondersteld, en wel dat we normale mensen zijn. En normale mensen hebben hun verwanten lief. Iemand die een hekel heeft aan zijn broers of zussen, begaat geen christelijke daad door ze te ‘haten’. Maar wie ze liefheeft en toch op zeker moment prioriteit geeft aan wat boven hen uitgaat, wel.

Zouden we in het rijtje natuurlijke liefdes ook vaderlandsliefde mogen opnemen? Ik bedoel daarmee niet alleen de liefde tot de natie, maar ook tot al het lokale en het eigene waarin een persoon geworteld is: zijn Heimat. Is iemand die daarover onverschillig doet, niet ook onderhevig aan een ‘verval van de natuur’? Wanneer deze onverschilligheid een christelijk sausje krijgt, kunnen we zelfs gaan denken aan een ‘groei in de genade’. Maar ten onrechte: ook hiervoor geldt dat we worden opgeroepen om te ‘haten’ wat we liefhebben, niet om te haten waar we toch al niets om geven.

Wie de gedachtegang van Lewis volgt, kan zelfs stellen dat iemand die zonder natuurlijke liefdes leeft, eerst maar eens normaal moet worden, dat wil zeggen: iemand moet worden die liefheeft wat hij natuurlijkerwijze behoort lief te hebben: zijn naasten en zijn vaderland. Pas als dat in orde is, kan hij zijn liefde ten offer brengen aan iets wat daar bovenuit gaat: hij is dan mens geworden alvorens christen te kunnen worden. 

Mijn RD-column van 18 juni 2016

zaterdag 9 november 2013

Heerlijke koude wereld

Column voor het Reformatorisch Dagblad (9 november 2013)

Een beetje mythologie helpt soms om de wereld te begrijpen. Neem het verhaal over Midas, de mythische koning over wie Ovidius vertelt. Hij wenst dat alles wat hij aanraakt in goud zal veranderen. Zulks geschiedt. Midas is de koning te rijk, ‘verheugd om eigen nadeel’ zoals Ovidius schrijft. Pas wanneer hij merkt dat ook zijn brood, zijn vlees en zijn wijn in goud veranderen, komt Midas tot inzicht. ‘Even rijk als arm wil hij geen nieuwe rijkdom meer.’ (De lezer van De reis van het drakenschip van C.S. Lewis zal zich een toespeling op het verhaal over Midas herinneren: de episode op Doodswatereiland.) Met ‘geld maakt niet gelukkig’ is de strekking van het verhaal natuurlijk niet adequaat weergegeven. Het punt is veeleer dat onze begeerte de wereld onherstelbaar verbetert.

Ik kwam de verwijzing naar Midas tegen in de inleiding van C.S. Lewis’ lijvige bijdrage aan de Oxford History of English Literature (1954). Lewis schrijft daar over de opkomst van de moderne natuurwetenschap in de zestiende eeuw. Met de nieuwe astronomie kwam er volgens Lewis een nieuwe opvatting van de werkelijkheid in zwang. De moderne wetenschappelijke methode leidde tot grootse ontdekkingen, maar vervreemdde de mens van de wereld om hem heen. Door het gebruik van de wiskunde gaf de wetenschap ons de werkelijkheid in handen – maar slechts nadat ze die terdege had ontzield. ‘Met zijn nieuwe macht werd de mens rijk als Midas, maar alles wat hij aanraakte was dood en koud geworden.’ Ik moet wel eens aan Midas denken als ik op het Nederlandse platteland rondkijk: het is productief tot en met, maar zo steriel als een ziekenhuislaboratorium.

Met de de opkomst van de nieuwe wetenschap verdween wat Lewis noemt ‘the mythical imagination’. Het oude universum was, zegt Lewis, geen machine maar ‘a festival’, waarin de sterren dansten. Voor ons zou zoiets hoogstens een vergelijking kunnen zijn, waarbij we ons er steeds van bewust zijn dat we alleen maar een kunstgreep uithalen – het is immers iets doods (menen we) dat we voor de aardigheid met iets levends vergelijken. Door de romantici, die zwolgen in natuurlyriek, werd de kloof tussen onszelf en de ‘dode’ buitenwereld pijnlijk gevoeld, en meer recent ook door bomenfluisteraars en andere lieden die zich hun heil zoeken in halfocculte meligheid.

Koning Midas stapte ten einde raad op de god Bacchus af en die schreef hem genadiglijk voor om zich te wassen in de bron van de rivier de Pactolus. De betovering was verbroken. Midas kon zich weer tegoed doen aan brood en vlees en wijn. Is er iemand die ons de weg naar de Pactolus kan wijzen?

vrijdag 20 september 2013

Ierland en C.S. Lewis

In de eerder dit jaar verschenen Lewis-biografie van Alister McGrath staat een merkwaardige passage over hoe men in Belfast over C.S. Lewis dacht. Belfast is de stad waar Lewis is geboren en opgegroeid. McGrath verwijst naar John Barry (1915 – 2006), een columnist die ooit geestelijke was in de parochie van de familie Lewis. Barry herinnerde zich dat er in bepaalde kringen in Belfast een ‘soort kilte’ te voelen was als de naam van C.S. Lewis viel. 

De belangrijkste reden daarvoor ligt voor de hand. Lewis heeft zijn vader, die tot zijn dood in Belfast woonde, ‘abominabel’ behandeld – zijn eigen woorden. Hij loog hem stelstelmatig voor over zijn levenswijze in Oxford. Albert Lewis gaf zijn zoon ruimhartig financiële steun, waarschijnlijk zonder te weten dat een groot deel van zijn geld niet gebruikt werd voor de studie: het verdween in het buitenissige huishouden van zijn zoon. Lewis leefde samen met een twintig jaar oudere vrouw die zowel zijn geliefde als zijn plaatsvervangende moeder lijkt te zijn geweest.

Mogelijk heeft ook Lewis’ afwezigheid bij het sterven van zijn vader kwaad bloed gezet. Toen bekend werd dat zijn vader ernstig ziek was, reisde Lewis wel af naar Belfast. Maar hij schatte de situatie blijkbaar niet helemaal juist in. Na verloop van tijd vertrok hij weer naar Oxford. Twee dagen daarna overleed zijn vader. Moeilijk te zeggen of hem hier blaam treft, maar een bevooroordeelde omgeving is meestal snel met haar conclusies.

McGrath noemt ook het feit dat C.S. Lewis zijn geluk in Engeland gezocht had, maar dat is Lewis nauwelijks aan te rekenen. Het was zijn vader die ‘Jack’ (zoals Clive meestal genoemd werd) naar een Engelse kostschool had gestuurd. Volgens McGrath deed Albert Lewis daarmee iets wat voor Noord-Ierse protestanten niet ongewoon was. Echt katholieke Ieren zetten zich juist af tegen alles wat Engels was en protestants. Alleen al de Church of Ireland vormde een steen des aanstoots. Die was staatskerk, hoewel protestanten in de meeste graafschappen in de minderheid waren. Ieren voelden zich tweederangsburgers in eigen land. 

C.S. Lewis heeft zich later altijd lovend uitgelaten over het Ierse landschap, maar aan de mensen had hij blijkbaar weinig plezier beleefd. In politieke meningsverschillen mengde hij zich niet en hij heeft zich nooit geprofileerd als protestantse Noord-Ier – al deelde hij met de Engelsen aanvankelijk wel een stevige argwaan jegens katholieken.

De biografie van McGrath, die komend najaar in Nederlandse vertaling zal verschijnen, vestigt nadrukkelijk de aandacht op het thema ‘C.S. Lewis en Ierland’. McGrath is zelf van Ierse komaf en in de inleiding van zijn boek schrijft hij over de ervaringen die hij daardoor met Lewis deelt, waardoor hij sommige aspecten van zijn wereld misschien net wat beter begrijpt dan anderen. 

Ik vind het een van de sterke kanten van zijn boek dat hij bekende feiten uit Lewis’ leven in het kader van de Iers-Engelse controverse bespreekt. De lezer begrijpt C.S. Lewis en zijn wereld daardoor beter.


vrijdag 13 april 2012

Oceaan of kathedraal


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 13 april 2012.

Bladerend door de Pensées trof me weer de moderniteit van Blaise Pascal. Over de omvang van het heelal wist Pascal minder dan wij, maar desondanks vond hij de gedachte aan de grootte van het universum beangstigend. Le silence éternel de ces espaces infinis m’effraie – de eeuwige stilte van deze oneindige ruimtes maakt me bang. Hij schrijft over een ‘zwijgend heelal’ en over de mens die ‘zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten’. Dit is taal die we herkennen en die we na kunnen voelen, die misschien inmiddels zelfs tot cliché geworden is. [opmerking 1/9/15: De meeste Pascalkenners lijken van mening te zijn dat deze gedachte van Pascal door hem in de mond wordt gelegd van een van de libertins tot wie hij zich richt. Een al te autobiografische opvatting ervan zou dus onjuist zijn.]

Het moderne beeld van het heelal ziet er, voor zover ik weet, als volgt uit. We leven op een planeet die samen met zeven andere planeten om de zon cirkelt. Ons zonnestelsel is een van de vele in een onvoorstelbaar groot sterrenstelsel: de Melkweg. Van zulke sterrenstelsels zijn er naar schatting een paar honderd miljard. En dat zeilt allemaal door de leegte van een ‘oneindig maar begrensd’ heelal.

Hoe zag iemand vóór Pascal de ruimte dan? In elk geval rekende hij met andere feiten. De ruimte was eindig. In het oude wereldbeeld stond de aarde in het centrum van de kosmos, met een zevental planetaire sferen eromheen en vervolgens de sfeer van de vaste sterren. Het was een zeer geordend geheel, zeker niet oneindig, maar ook bepaald niet klein. In een middeleeuws Engels boek staat dat je, om de buitenste sfeer te bereiken, meer dan achtduizend jaar moet reizen bij een afstand van ruim veertig mijl per dag. 186.880.000 kilometer dus (ervan uitgaande dat een middeleeuwse mijl 1,6 km was) en dan ben je er nog niet. Maar, en daar gaat het om, er bestond een solide grens.

En eeuwige stilte? Middeleeuwers wisten wel beter. Als elke planeet zijn eigen sfeer heeft, en elke sfeer met een bepaalde snelheid om de aarde wentelt, dan ontstaat er zoiets als een kosmische samenklank. Hemelse muziek, die een toonbeeld is van de volmaaktheid van de bovenmaanse wereld. Weliswaar dacht niet iedereen dat dit hemelse akkoord werkelijk hoorbaar was, maar met een eeuwige stilte heeft deze muziek der sferen weinig te maken.

C.S. Lewis heeft in enkele beelden het verschil tussen de nieuwe en de oude blik op de kosmos navoelbaar gemaakt. In The Discarded Image schrijft hij dat een middeleeuwer die ’s nachts naar boven keek het gevoel had zich in een enorme kathedraal te bevinden, terwijl moderne mensen het idee hebbendat ze uitkijken over een oeverloze zee die zich tot in oneindige verten uitstrekt. Ons universum is romantisch, huiveringwekkend, beangstigend; dan van de middeleeuwers was klassiek, imponerend, maar in de diepste zin van het woord in orde.

Het kan zijn dat het wij-zijdenken van dit stukje niet helemaal terecht is. Misschien zijn er bij christenen anno 2012 – dankzij het scheppingsgeloof – nog resten van het ‘klassieke’ beeld aanwezig. Welke gedachten spoken door hun hoofd als ze op een heldere avond naar Venus, Jupiter of Mars staan te kijken, naar Cassiopeia, Orion of de Tweelingen en als ze dan bedenken wat daar voorbij is, en daar weer voorbij, en zo ad infinitum?

vrijdag 2 maart 2012

Verstoten


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 2 maart 2012.

Een tijdje geleden stond er in het christelijke literaire tijdschrift Liter een empathisch geschreven essay over De arkvaarders van Anne Provoost. Dat boek, maak ik uit het artikel op, gaat over de mensen die niet met de ark mee mochten. Dus over degenen die niet uitverkoren waren, de verstotenen.

Als we een gedicht van C.S. Lewis mogen geloven was er ook een dier dat niet de ark in mocht. Dat dier symboliseert de Verstotene.

‘The Late Passenger’ heet het gedicht en het begint als volgt:

The sky was low, the sounding rain was falling dense and dark, 
And Noah's sons were standing at the window of the Ark. 

De regen valt, de deur is dicht en de ark gereed voor wat komen gaat als de broers ontdekken dat er nog een dier aan de deur klopt. Cham – natuurlijk hij – is helder: voor zijn part mag het beest verdrinken of anders moet het maar leren zwemmen. En laten zijn broers niet te veel kabaal maken, anders wordt vader wakker en dat zal weer een hoop extra werk betekenen. Maar helaas voor Cham:

Noah's voice came roaring from the darkness down below,
'Some animal is knocking.
Take it in before we go.'

Cham speldt zijn vader het een en ander op de mouw en als Noach aan dek komt heeft het dier zich al afgekeerd. Noach weet: hem te laten wachten was onbestaanbaar, wij zijn voorgoed te laat. Noach staat er met knikkende knieën bij en zegt, met een subtiele verwijzing naar later tijden:

'Oh noble and unmated beast, my sons were all unkind;
In such a night what stable and what manger will you find?’

Een barre nacht, een stal en een kribbe: het is duidelijk naar wiens lijden dit verwijst.

Wie nu al weet over welk dier Lewis’ gedicht gaat, heeft zijn christelijke fabologie goed op een rijtje. Want het gaat over een fabeldier: de eenhoorn, een dier dat nooit op de aardbodem heeft rondgelopen. Toch is er een heel web van verhalen om hem heen geweven. In een boek van de fijnzinnige mediëvist W.P. Gerritsen (die op het omslag van dit boek Willem heet) valt het na te lezen: Het spoor van de eenhoorn. De geschiedenis van een dier dat niet bestaat (2011).

Hoe is de vereenzelviging met Jezus ontstaan? Al heel vroeg in de middeleeuwen werd verteld dat de eenhoorn alleen gevangen kan worden door een zuivere maagd die zich bevindt op het pad dat het dier gewoonlijk gaat. Het springt dan bij haar op schoot en is in haar macht. De associatie met Maria ligt voor de hand. In haar is het woord vlees geworden.

In verschillende Nederlandse kerken is de voorstelling van vrouw met eenhoorn te zien; Gerritsen noemt Loppersum, Bolsward en Zutphen. In Zutphen is ook een jager te zien die zijn lans op het dier richt: een verwijzing naar Jezus’ kruisdood.

Lewis kende deze traditie natuurlijk en hij verwerkte haar in zijn zondvloedgedicht. Er bestaat ook een joods volksverhaal, waarin Noach de eenhoorn niet mee wil nemen in de ark. Kende Lewis dat verhaal ook? In dat geval zou  zijn gedicht een contaminatie van drie verhalen betekenen. Hoe dan ook is ‘The late Passenger’ een originele voortzetting van een oude literaire traditie.

vrijdag 6 mei 2011

C.S. Lewis als dertiende apostel

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 6 mei 2011

Kun je zeggen dat C.S. Lewis in Nederland geadoreerd wordt? Ik geloof dat het wel meevalt. Er zijn enkele liefhebbers die veel van hem weten en (bijna) alles van hem gelezen hebben, en er is een grote schare die Narnia kent en de Brieven uit de hel en misschien nog een of twee boeken. Daarmee houdt het op. Een mooie bundel vertaalde essays van Lewis kwam vorig jaar nog in de ramsj terecht.

In de Verenigde Staten is het met Lewis’ populariteit anders gesteld, volgens een artikel van Ryan Harper in The Huffington Post. Harper is een promovendus van Princeton. Vorige week vrijdag stond er in deze krant een stuk van Maurice Hoogendoorn waarin Harper uitgebreid werd geciteerd.
Volgens Harper loopt de Lewis-worship onder evangelicalen de spuigaten uit. Hij heeft twee grote bezwaren. Een: het denken van Lewis wordt als uitgangspunt genomen zonder dat het zelf voorwerp is van kritisch onderzoek. Twee: de confrontatie met de eigentijdse cultuur is een second-hand affair aan het worden, doordat veel evangelicalen volstaan met het napraten van wat Lewis over een bepaald verschijnsel heeft gezegd.

Deze kritiek klinkt redelijk en is misschien ook juist. Maar Harpers opmerkingen zeggen natuurlijk niets over de waarde van het werk van Lewis zelf. Dat Lewis-adepten op een onjuiste manier omgaan met zijn ideeën, vloeit tenslotte niet voort uit de aard van zijn werk. Integendeel: zijn transparante redeneerstijl nodigt juist uit tot kritische bezinning. En als je vindt dat Lewis over, zeg, de mythe van de vooruitgang ware woorden heeft gezegd en je komt bij een of andere hedendaagse filosoof een vorm van vooruitgangsgeloof tegen – dan is het niet vreemd als je enkele woorden van Lewis citeert.

Bovendien is het op zijn minst eenzijdig om wel het misbruik van Lewis’ erfenis aan de kaak te stellen, maar niet de gunstige effecten te noemen die zijn werk ook en vooral heeft gehad. Ik heb de indruk dat veel evangelische christenen door Lewis’ boeken de aansluiting met de mainstream van het christendom hebben gevonden. Stel dat iemand dankzij Lewis van halleluja-handjeklap bij Augustinus terechtkomt: dan heeft hij geen geringe vordering gemaakt.
Ook christenen van gereformeerde komaf kunnen hun blikveld aanzienlijk verbreden door kennis te nemen van Lewis’ werk. De wereld begon niet in 1517 te bestaan – als er iets uit Lewis’ boeken duidelijk wordt, dan is het de relevantie van pre-moderne ideeën.
En meer persoonlijk: wie Lewis leest zou wel eens kunnen gaan vinden dat hij een beter mens moet worden, of dat hij helderder moet gaan denken en schrijven. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat een Lewis-liefhebber niet tenminste probeert om wolligheid, vaagheid en kletskoek te vermijden zoveel hij kan.

C.S. Lewis is (zoals The Huffington Post kopte) still not Jesus en evenmin de dertiende apostel. Maar van de weeromstuit moet de onvrede over bepaalde Lewis-adepten niet geprojecteerd worden op Lewis zelf. Het zou ook ondankbaar zijn om te vergeten hoeveel goeds het werk van Lewis zijn lezers heeft gebracht.


vrijdag 17 december 2010

Drakenschip op zonnevaart

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 17 december 2010


De nieuwe Narnia-film heb ik niet gezien, maar ik las wel een uitspraak van de regisseur over het verfilmde boek die om een kanttekening vraagt. Michael Apted vertelde in een interview dat hij het lastig vond om De reis van het drakenschip te verfilmen, omdat het boek geen ‘centrale kern’ zou hebben. Daarom heeft hij zelf een en ander aan het verhaal toegevoegd.

Je hoort wel vaker dat de boeken van C.S. Lewis slordig zijn gecomponeerd. Het begon al bij J.R.R. Tolkien, Lewis’ conciëntieuze vriend, die Het betoverde land achter de kleerkast maar een vreemd allegaartje vond. Ook lezers die de boeken wel waarderen, laken soms de rommeligheid ervan. Maar, zoals dat gaat, wetenschappers blijven zoeken naar eenheid in de verscheidenheid.

In 2008 kwam de Britse theoloog Michael Ward met een goed onderbouwde duiding van het overkoepelende principe van de Narnia-reeks. Zijn boek Planet Narnia (Oxford University Press) is, ondanks de wat populistische titel, een diepgaande studie naar, zoals de ondertitel luidt, ‘The Seven Heavens in the Imagination of C.S. Lewis’. Inmiddels is er ook een gepopulariseerde editie verschenen, onder de nog minder subtiele titel The Narnia Code.

Ward betoogt dat pre-Copernicaanse ideeën over de kosmos de Narnia-reeks eenheid verschaffen. In het oude wereldbeeld heeft elk van de zeven planeten een eigen karakter en invloed. Lewis zou naar elk van de planeten de plot, de personages en allerlei details van een Narnia-boek hebben gemodelleerd.

In De reis van het drakenschip is volgens Ward de zon de bepalende planeet (ook de zon werd eertijds als planeet beschouwd). De zon verandert, volgens de oude ideeën, onedele metalen in goud, maakt mensen wijs en liberal, en zorgt voor gelukkige gebeurtenissen. De zonnegod Apollo stond bekend als drakendoder.

Ik heb met de theorie van Michael Ward in het achterhoofd The Voyage of the ‘Dawn Treader’ (zoals de oorspronkelijke titel luidt) nog eens herlezen. Het is verrassend hoe goed zijn theorie ‘werkt’. De titel was misschien al helder: het drakenschip reist naar het oostelijke einde van de wereld, waar de zon opkomt. Maar ook allerlei andere kleine en grote onderdelen van het verhaal komen opeens in een logische samenhang te staan.

Uit zijn andere werk blijkt dat Lewis mateloos geboeid werd door het oude ‘afgedankte’ wereldbeeld. Bovendien keek hij graag naar de sterrenhemel; op het balkonnetje van zijn slaapkamer stond niet voor niets een telescoop. Dat soort gegevens maken Wards theorie alleen maar aannemelijker.
Er is bij deze theorie één groot probleem: Lewis zelf heeft zich nooit uitgelaten over de astrologische achtergrond van de Narnia-reeks. Ward erkent dit, maar betoogt – naar het mij toeschijnt met recht - dat Lewis bij al zijn jovialiteit een gesloten man was, die goed geheimen kon bewaren als hij dat wilde.

Dat Lewis ook de sleutel tot de Narnia-reeks geheim wilde houden, maakt Wards studie wel tot een paradoxale onderneming: als Lewis zelf het beter vond om het raadsel intact te laten, waartoe het dan nu zo nauwgezet blootgelegd?

Hoe dan ook: voor een verfilming kan De reis van het drakenschip minder geschikt zijn geweest, uitgaande van Wards theorie hoeft het boek het niet zonder een dieperliggende eenheid te stellen.



vrijdag 21 augustus 2009

Perelandra, de opera

Zelfs kenners en liefhebbers van het werk van C.S. Lewis weten vaak niet dat er op basis van een van zijn boeken een opera is gemaakt. Perelandra, deel twee van Lewis’ ruimtetrilogie, inspireerde Donald Swann in de jaren ’60 tot het schrijven van een opera, die dit jaar zijn ‘tweede première’ beleefde in Oxford.

Een zomeravond in het Sheldonian Theatre, Oxford. Door de vele ramen valt zacht licht, langzaam kleurt de hemel donkerblauw. Na ruim tweeënhalf uur heeft de opera zijn climax bereikt: Ransom heeft Weston overwonnen. Hij zingt: ,,Father, now let me die.’’ Dat is het moment dat de jongenssopraan opstaat die de rol van de eldil (engel) vertolkt. Zonder begeleiding, ingehouden, ernstig, glashelder zingt hij:

No man may shorten the way.
Each must carry his cross
On the long road to Calvary,
Follow
Where other feet have trodden.
Though the burden seems too great
For bleeding shoulders to uphold,
Too dark the path
For failing eyes to see,
Yet the lonely hill must still be climbed,
The desolation still be borne.
No man may shorten the way.

Het is het indrukwekkendste moment van de avond. Daarna volgen de stemmingen elkaar snel op: na een majestueus ,,Glory to Maleldil, blessed be his name!’’ mag Ransom terug naar de aarde, en de dieren op Perelandra mogen gaan zingen, werken, eten, spelen. ,,Ten thousand years of joy / Stretch out before us. / Our great adventure starts today.’’ In deze pastorale stemming, geaccentueerd door de hobo’s, eindigt de opera Perelandra. Happier kan een ending bijna niet zijn.

Het is veertig jaar geleden dat de opera voor het laatst werd uitgevoerd, in een verkorte versie, en vijfenveertig jaar dat hij voor het laatst compleet werd uitgevoerd – en dat was, in 1964, meteen de première. Een succesvol stuk was Perelandra dus niet. Toch beschouwde de componist het als een van zijn beste werken en had de librettist in de ogen van C.S. Lewis uitstekend werk geleverd. Wat is het verhaal achter deze opera?

Het is niet vreemd dat juist Perelandra een componist heeft verleid tot het schrijven van een opera. Lewis zelf noemde, in een brief van 29 oktober 1944, de opbouw van de climax in de roman operatic. In de zin ervoor noemde hij Wagner als bron van invloed.

Lewis’ roman uit 1943 gaat over Ransom, een geleerde uit Cambridge, die op de planeet Perelandra ofwel Venus terechtkomt. Perelandra is een jonge wereld, waar drijvende eilanden bewegen op een goudkleurige zee. Het is een weelderige planeet met geuren en smaken die alle aards genot in de schaduw stellen. De enige twee bewoners zijn een vrouw en een man die zich vrij over de eilanden bewegen en die elk eiland als hun thuis beschouwen. Ze leven in eenheid met de wil van God, die in hun wereld Maleldil heet.

Als Ransom op Perelandra is, komt een andere aardbewoner de vrede verstoren. Weston, in wie Lewis alle wetenschappelijke hoogmoed van zijn tijd samenbalde, is uit op kolonisatie van de planeet. Weldra blijkt hij een instrument van de duivel. Listig argumenterend probeert hij de vrouw tot ongehoorzaamheid aan Maleldil aan te zetten. Ransom gaat de strijd met Weston aan en weet een Perelandrische zondeval te voorkomen. Paradise retained dus.

De componist Donald Swann (1923-1994) was vooral bekend uit de wereld van de lichte muziek; de komische liedjes en voorstellingen van het duo Flanders and Swann waren beroemd. Maar Swann had ook een serieuze kant. Begin jaren ’60 kwam het idee bij hem op om van Perelandra – het was een van zijn favoriete boeken - een opera te maken. Een oude vriend van hem, David Marsh, wilde het libretto wel schrijven en C.S. Lewis zelf was ook enthousiast. Toen Lewis het libretto in 1962 had gelezen, schreef hij aan Marsh dat het ,,stunningly good’’ was en dat het hem bij het lezen tot tranen toe had bewogen.

De opera (Swann zelf noemde het een ‘music drama’ of een ‘operatic oratorio’) werd georkestreerd door Max Saunders. Het was een stuk in drie aktes, dat drie uur duurde. In 1964 organiseerde (en bekostigde) Swann zelf drie uitvoeringen, die echter geen doorslaand succes werden. In een tijd dat de muzikale avant-garde haar publiek op seriële en atonale piepknarsmuziek vergastte, viel de toegankelijke, effectieve muziek van Swann uit de toon. De muzikale taal van Rachmaninov en Delius, van Poulenc en Britten werd als achterhaald beschouwd. Weelderige akkoorden en goed in het gehoor liggende melodieën, traditionele duetten, trio’s en koren trokken niet bepaald de aandacht van het muzikale establishment.

Swann en Marsh besloten de opera in te korten – deze versie in twee actes is de enige die ooit gekostumeerd is uitgevoerd, door een amateurgezelschap van studenten in 1969. Swann beschouwde de ingreep later als een mislukking. Leon Berger en Jonathan Butcher, de artistieke leiders van de huidige productie, hebben de oorspronkelijke versie gereconstrueerd (samen met Swann, in diens laatste weken) en zo was het mogelijk dat deze zomer de opera Perelandra zijn tweede première beleefde. Berger zelf zong overtuigend de partij van Weston, Håkan Vramsmo was een goede Ransom. De rollen van Lewis en zijn vriend Colin Humphrey werden gezongen door Neil Jenkins en Rupert Forbes - net als bij de première in 1964! Tijdens het concert in het Sheldonian zijn opnames gemaakt, en als alles goed gaat verschijnt er in de herfst een cd.

De uitvoering van de opera werd begeleid door een tweedaags colloquium over de roman Perelandra, waar wetenschappers uit de VS en Engeland, maar ook uit Rusland, Frankrijk en Polen hun licht over het boek lieten schijnen. Perelandra wordt beschouwd als een van Lewis’ beste en belangrijkste boeken. Dat is in Nederland een opvallende constatering; hier is Lewis vooral bekend van zijn Narniaverhalen en zijn non-fictie. De ochtend na het concert konden bezoekers in gesprek gaan met de artistieke leiding. Volgens Walter Hooper, Lewis’ privésecretaris, ook aanwezig, was deze uitvoering beter dan die in 1964. Het wachten is, kortom, op de cd.


(Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad, 21 augustus 2009)

vrijdag 25 augustus 2006

Geef de doden stem: lees oude boeken

Ook als lezers moeten we er ons van bewust zijn dat we eendagsvliegen zijn. Daarom moeten we oude boeken lezen.

‘Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde staat in eeuwigheid,’ schreef de Prediker. Volgens Job waren zijn dagen sneller dan een weversspoel. Ook de psalmdichter wist het: de mens is als ‘een bloem des velds’ die bloeit, maar de wind gaat erover, ‘en haar plaats kent haar niet meer’. Een mens is vergankelijk, en afgezet tegen de eeuwigheid van de aarde loopt hij hier maar even rond. ‘Wat is een mens in de oneindigheid?’, vroeg Pascal zich af: ‘Vergeleken met hoe de dingen werkelijk zijn brengen we slechts atomen voort.’ We zijn nietig, niet alleen vergeleken met de oneindigheid van de ruimte, waarop Pascal doelde, maar ook vergeleken met de oneindigheid van de tijd.

Dit zijn oudejaarsavondgedachten, en er zijn kerken in Nederland waar de op 31 december toch al bedrukte stemming gevoed wordt door flink op de trom van vanitas en Laatste Oordeel te slaan. Daar schuilt het gevaar in dat gedachten over onze kortstondigheid verworden tot sentimenten, of sentimentaliteit. Er moet echter ook te leven zijn met het idee van onze nietigheid. Het is een inzicht waarvan we doordrongen zouden moeten zijn en op basis waarvan keuzes zijn te maken. Het is geen gevoel dat her en der knaagt aan ons verder fijne bestaan; het is de realiteit ervan.

In de christelijke traditie is het vaak de prikkel geweest tot een leven sub specie aeternitatis (in het licht van de eeuwigheid). Daarbij was de blik vooruit gericht: na dit aardse bestaan kwam er een eindeloze eeuwigheid , die ‘eeuwig wel of eeuwig wee’ inhield. Dat was zo allesbepalend, dat het leven hier en nu geheel in het teken ervan kwam te staan. Het aardse leven was slechts een opmaat voor de eeuwigheid. Elk facet van het leven werd beschouwd op zijn consequenties voor het hiernamaals. Soms leidde dat tot iets wat nu al snel naargeestig gevonden zou worden. Dat het ook anders kan, bewijst de roman Gilead (2004) van Marilynne Robinson, waar de verteller over zijn oude collega-predikant Boughton opschrijft: ‘Boughton zegt dat hij per dag meer ideeën over de hemel heeft. Hij zei: “Vooral omdat ik nadenk over de heerlijkheid van de wereld en die dan met twee vermenigvuldig. Als ik de kracht had, vermenigvuldigde ik ze met tien of twintig. Maar twee is voor mijn doel meer dan genoeg.” Dus zo zit hij daar dan het voelen van de wind met twee te vermenigvuldigen, en de geur van het gras.’

Er is ook een andere benadering mogelijk, die overigens niet strijdig hoeft te zijn met de vorige. Je zou de blik ook achteruit  kunnen richten. We zijn niet alleen nietig ten opzichte van wat komt, maar ook ten opzichte van wat geweest is. Daarbij hoeven we niet meteen in kosmische begrippen te denken; wanneer we de geschiedenis bezien voor zover mensen daarin een rol spelen, springt onze kleinheid al voldoende in het oog. Dat gebeurt ook wanneer de blik alleen gaat langs de Griekse cultuur vanaf Homerus, de Romeinse en de middeleeuwse wereld, om dan via de Renaissance het huidige tijdperk te naderen. Iedereen die op dit (en trouwens op elk) moment leeft, is iemand ‘die nog maar net komt kijken’. Een nieuwe werknemer bij een oud bedrijf met eerbiedwaardige tradities, zoiets. Hij kan denken dat hij zich van die tradities niets hoeft aan te trekken, dat hij de kennis en wijsheid die daarin is opgetast straffeloos kan negeren. De schrijver van Spreuken waarschuwde echter al dat een wijze zoon zijn vader verblijdt, ‘maar een zot mens veracht zijn moeder’.

Dit besef kan ons bescheidenheid bijbrengen. Het zou ons ook wantrouwend kunnen maken tegenover alles wat zich als nieuw of vernieuwend presenteert. Het is welbeschouwd merkwaardig dat een woord als vernieuwend ons als een reclamekreet in de oren klinkt, terwijl het slechts een feitelijke eigenschap van iets beschrijft. Iets vergelijkbaars, maar dan omgekeerd, is er met het woord geijkt aan de hand. Wanneer ik zeg dat iemand zich van de geijkte termen bedient, zal dat meestal opgevat worden als een negatieve kwalificatie. De geijkte termen, dat zijn termen waar het leven uit is; de gebruiker ervan had beter woorden kunnen kiezen waaruit bleek dat het vraagstuk dat hij behandelt echt ‘door hem heen gegaan’ was, zodat het ‘authentiek’ was geweest. Maar een instrument dat geijkt is, is een instrument dat aan de eisen voldoet die eraan gesteld worden. Het is betrouwbaar. Zo zijn geijkte termen en beelden ook: ze zijn beproefd en adequaat bevonden. Dat ze, om met Geerten Gossaert te spreken, bezield en onbezield gebruikt kunnen worden, is een ander verhaal.

Maar het besef van het verleden kan ons ook in de goede zin van het woord eigenwijs maken, dat wil zeggen los van de waan van de dag of van de ‘tijdgeest’. Wie voldoende belezen is in de christelijke traditie van, zeg, Augustinus over Bernardus of Thomas (van A. of van K.) tot Calvijn en Pascal, is minder vatbaar voor theologische modes dan wie de theologie ergens in het laatste decennium laat beginnen. Wie het bijbelboek Spreuken of De staat van Plato tot zich heeft laten doordringen, laat zich iets minder gemakkelijk van de wijs brengen dan degene voor wie het denken over bijvoorbeeld opvoeding en onderwijs met de huidige ideeën erover begint.

Die eigenwijsheid tref ik te weinig aan. Ik verbaas me er soms over hoe weinig christenen het geloof werkelijk blijken te belijden met de kerk van alle tijden. Een theoloog of moralist die anno 2006 opvattingen uitspreekt die zonder restricties zouden zijn aanvaard door het gros van de christenen tot pakweg 1960, loopt nu het risico te worden afgewimpeld met nietszeggende argumenten. Je kunt dat nu niet meer zo zeggen, het is pastoraal niet verantwoord, je verliest er de aansluiting met je tijdgenoten mee – er zijn tal van gemeenplaatsen die worden aangewend om dinosaurussen niet serieus te nemen. Het punt is dat we niet alleen hén niet serieus nemen, maar mogelijk ook de kerk van alle tijden waarvan we zeggen deel uit te maken en waarvan zij de stem zouden kunnen zijn.

Ik bedoel niet dat wij moeten ophouden met denken omdat er al voor ons gedacht is. De oude tijden zijn niet per se beter dan de nieuwe. C.S. Lewis heeft daarover een en ander geschreven in zijn essay ‘On the Reading of Old Books’, dat oorspronkelijk verscheen als woord vooraf bij een vertaling van Athanasius’ De incarnatione Verbi. Lewis schrijft daar dat elke tijd zijn eigen sterke en zwakke kanten heeft; in elke tijd worden bepaalde waarheden bijzonder goed beseft, elke tijd is ook in het bijzonder vatbaar voor bepaalde fouten. Daarom, schrijft Lewis, hebben we juist die boeken nodig die de karakteristieke fouten van onze eigen tijd corrigeren – oude boeken dus. Als we alleen nieuwe boeken lezen, dan komen we als ze goed zijn dingen te weten die we toch al half wisten, maar als ze slecht zijn verergeren ze de fout die ons toch al in zijn greep heeft. ‘Het enige medicijn is om de frisse zeebries van de eeuwen door ons hoofd te laten waaien, en dat kan alleen door oude boeken te lezen.’

Het aardige is dat Lewis in dit essay zijn theorie meteen in de praktijk brengt. Hij gaat in op de zin uit de zogenaamde Geloofsbelijdenis van Athanasius, waarin te lezen is dat wie het algemeen geloof niet geheel en ongeschonden bewaart, zonder twijfel voor eeuwig verloren zal gaan. Lewis legt uit dat het niet gaat om mensen die nooit van het geloof gehoord hebben, maar om degenen die het vaarwel zeggen: zij die het niet bewaren. En dat is, schrijft hij, een waarschuwing ‘tegen de merkwaardige moderne aanname dat een verandering van geloof, waardoor die ook teweeg is gebracht, sowieso respectabel is’.

De oude tijden mogen dan niet zonder meer beter zijn dan de nieuwe, zonder de ‘democratie van de doden’, zoals Chesterton de traditie noemde, dreigen we een speelbal te worden van grillen, modes en allerhande ideologie, of ze nu een of vijftig jaar de tijd bepalen. Daarom: wie midden in de zomer met oudejaarsgedachten rondloopt, maar ook wie juist smachtend uitziet naar wat er het komend seizoen voor nieuws in de boekhandel zal liggen, zou de raad van Lewis ter harte moeten nemen om tegenover elk gelezen nieuw boek tenminste één oud boek te lezen. (Als dat teveel voor u is, voegt hij er aan toe, zet dan tenminste één oud boek tegenover drie nieuwe.) Dante na Möring, Plato na weer een boek over positief denken, Voetius na Ganzevoort. Gelukkig is een sterk punt van de huidige tijd dat er van bijna alle belangrijke klassieke teksten goede edities en vertalingen beschikbaar zijn. Dat die vaak een museaal doel dienen, hoeft niemand ervan te weerhouden ze op een andere manier te lezen.

‘On the Reading of Old Books’ van C.S. Lewis is niet in het Nederlands vertaald. Het essay is onder andere  te vinden in C.S. Lewis, Essay Collection and Other Short Pieces. Edited by Lesley Walmsley. HarperCollins, London, 2000.


(Gepubliceerd in de bijlage ‘Het Katern’ van het Nederlands Dagblad, 25 augustus 2006)