Posts tonen met het label deugden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label deugden. Alle posts tonen

maandag 19 september 2016

Eerst liefde, dan pas haat

Zoals vaker is het C.S. Lewis die de vinger legt bij een te weinig gesignaleerde kwestie. Grasduinend in zijn boek De vier liefdes (1960) kom ik in het hoofdstuk over caritas terecht en wat ik daar lees doet me even opveren. ‘Het is’, schrijft Lewis, ‘niet ongevaarlijk om iemand de plicht op te leggen boven zijn aardse liefde uit te stijgen als zijn eerste moeite nog ligt in het toekomen aan die aardse liefde.’ Als we onze medeschepselen minder liefhebben, denken we maar al te gemakkelijk dat dat komt doordat we God meer liefhebben – maar wellicht is er een heel andere en minder positieve reden voor. We kunnen, aldus Lewis, ten onrechte het verval van de natuur aanzien voor een groei in de genade.

Aardse liefdes, dat zijn de liefdes waarover Jezus spreekt in Lukas 14 vers 26: de liefde tot je vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen. Het gaat om de mensen in onze directe omgeving, en we weten dat Jezus ons oproept om ze te ‘haten’. Maar in deze oproep is, zoals bijna overal in de Bijbel, iets verondersteld, en wel dat we normale mensen zijn. En normale mensen hebben hun verwanten lief. Iemand die een hekel heeft aan zijn broers of zussen, begaat geen christelijke daad door ze te ‘haten’. Maar wie ze liefheeft en toch op zeker moment prioriteit geeft aan wat boven hen uitgaat, wel.

Zouden we in het rijtje natuurlijke liefdes ook vaderlandsliefde mogen opnemen? Ik bedoel daarmee niet alleen de liefde tot de natie, maar ook tot al het lokale en het eigene waarin een persoon geworteld is: zijn Heimat. Is iemand die daarover onverschillig doet, niet ook onderhevig aan een ‘verval van de natuur’? Wanneer deze onverschilligheid een christelijk sausje krijgt, kunnen we zelfs gaan denken aan een ‘groei in de genade’. Maar ten onrechte: ook hiervoor geldt dat we worden opgeroepen om te ‘haten’ wat we liefhebben, niet om te haten waar we toch al niets om geven.

Wie de gedachtegang van Lewis volgt, kan zelfs stellen dat iemand die zonder natuurlijke liefdes leeft, eerst maar eens normaal moet worden, dat wil zeggen: iemand moet worden die liefheeft wat hij natuurlijkerwijze behoort lief te hebben: zijn naasten en zijn vaderland. Pas als dat in orde is, kan hij zijn liefde ten offer brengen aan iets wat daar bovenuit gaat: hij is dan mens geworden alvorens christen te kunnen worden. 

Mijn RD-column van 18 juni 2016

maandag 21 april 2014

Geen spijt

Mijn RD-column van 12 april 2014, aangepast en uitgebreid


Waarover hebben mensen op hun sterfbed spijt? Een aantal jaren geleden maakte de Australische verpleegster Bronnie Ware furore met haar artikel ‘Regrets of the Dying’. Ware, die zieken verpleegde in de laatste weken van hun leven, had vaak diepgaand contact met haar patiënten en in hun gesprekken werden vijf thema’s heel vaak genoemd. Mensen betreuren het dat ze het leven hebben geleid dat anderen van hen verwachtten, in plaats van het leven dat bij henzelf paste. Ze betreuren het dat ze te hard gewerkt hebben, dat ze hun vrienden uit het oog verloren zijn, dat ze hun gevoelens niet hebben durven uiten en dat ze zichzelf niet wat meer geluk gegund hebben. De moraal ligt voor de hand: mensen, leer van de stervenden!

Het zou interessant zijn om na te gaan waardoor het artikel van Ware zo populair kon worden. Mijn vermoeden is dat het te maken heeft met het wegvallen van de gevestigde religies en het despotisme van de markt. Als mensen hun geluk louter nog zoeken in economische groei, ook op het persoonlijke vlak, is een conformistisch slavenbestaan immers het meest waarschijnlijke toekomstperspectief. Niet iets om gelukkig van te worden. Mensen gaan op zoek naar een perspectief van waaruit het leven herordend kan worden, van waaruit blijkt wat er echt toe doet en wat niet: een perspectief dat ooit door religies ter beschikking werd gesteld.

Hoe dan ook, populair werd het sterfbedperspectief. Het heeft zelfs de managementboeken gehaald: onlangs zag ik dat Ben Tiggelaar zijn lezers ergens vraagt om zich hun begrafenis voor te stellen en dan te bedenken wat ze zouden willen dat er in de toespraken over hen wordt gezegd.

Het is ongetwijfeld nuttig dat Ware en Tiggelaar hun lezers deze spiegel voorhouden. Mensen die hun vrienden, hun gezin en in feite hun leven opofferen aan hun werk of andere hoogst belangrijke bezigheden zijn er nog steeds; wie zou hun niet de kans willen geven om eens uit die ellendige tredmolen te stappen?

Toch kan het denken vanuit het sterfbedperspectief ook heel gemakkelijk leiden tot een egocentrische vorm van levenskunst. Je kunt als stelregel van je leven nemen dat je op je sterfbed in elk geval geen spijt wilt hebben van de keuzes die je hebt gemaakt en vanuit dat criterium al je nog te maken keuzes beoordelen. Maar dat leidt niet automatisch tot beslissingen die in elk opzicht goed te noemen zijn.

Bij Romano Guardini las ik pas over ‘de moed om het te wagen met Gods wil’. De roep van God komt tot ons, zegt Guardini: in het groot, bij het kiezen van een beroep of een liefde; maar ook in het klein. ‘In de grond van de zaak is immers elke aansporing van het geweten Gods roep. Altijd weer staan wij ervoor, het met de waarheid aan te durven, of te liegen; met de rechtvaardigheid, of het eigen voordeel te zoeken; met de voornaamheid, of af te glijden naar het laaghartige.’


Wijze woorden, dunkt me, die suggereren dat de directieven van het geweten voorrang hebben op het nastreven van geluk. Anders gezegd: doe niet in de eerste plaats datgene waarvan je denkt later geen spijt te zullen hebben. Volg gewoon je geweten en doe wat goed is, met verstandigheid, rechtvaardigheid, matigheid en moed; met geloof, hoop en liefde. Het zou kunnen zijn dat je daar op je sterfbed óók geen spijt van hebt.

vrijdag 12 juli 2013

Vervelend

Pleidooien voor verveling – van tijd tot tijd zijn ze in de Nederlandse media te vinden. De stukken gaan over pubers die zich tijdens de lange zomervakantie niet weten te amuseren en alleen maar wat rondhangen. Of ze gaan over de mens in het algemeen die tegenwoordig zo druk is dat hij altijd iets te doen heeft, waardoor hij zich nooit meer verveelt. De teneur is meestal dat het geen kwaad kan om je te vervelen, of zelfs dat het goed voor je is. Je zou er creatief van worden, je zou ervan leren stil te staan bij je gevoel.

Maar gaat het hier wel over verveling? Mijn woordenboek zegt dat iemand zich verveelt als hij niet weet wat te doen en daardoor landerig gestemd is. Landerig, dat is: slecht geluimd, niet opgewekt. Van Dale heeft gelijk: verveling is vooral een negatieve emotie. Je weet niet wat te doen en daardoor ben je slecht geluimd. 

Als ik bij mezelf te rade ga, betekent verveling vooral dat je allerlei mogelijke tijdspasseringen aan het aftasten bent, maar dat ze je geen van alle aantrekkelijk voorkomen. Je bent voortdurend opties aan het afwijzen. Voor wie zich verveelt is de wereld grijs en grauw. Ik kan niet inzien dat dit voor wie dan ook een nuttige ervaring zou kunnen zijn – tenzij om na te kunnen voelen wat een depressie is.

Wat goed voor een mens is, dat is het afzien van doelgerichte activiteit, om de werkelijkheid aan het woord te laten, om gedachten of beelden zich spontaan te laten opdringen. ‘Als de ziele luistert spreekt het al een taal dat leeft’. Dat is rust, en rust is inderdaad heilzaam. Maar er is haast niets wat zozeer van verveling verschilt als rust.

Rust is bewust of onbewust niets doen, of in de woorden van Josef Pieper (met het essay ‘Rust en beschaving’ een onvermijdelijke auteur bij dit thema) ‘de houding van niet-activiteit, de innerlijke kalmte, de ontspanning, het gebeuren-laten en het zwijgen’, ‘de houding van het ontvankelijk vernemen, van het aanschouwende, contemplatieve verzinken in het zijnde’.

Voor wie rust, is de wereld niet grijs. Integendeel: de werkelijkheid doet ertoe en wel zozeer dat je er zelf een moment het zwijgen toe wilt doen. Volgens Pieper is de rust zelfs een ‘vierende’ houding. De rust leeft uit het beamen, de verveling uit het afwijzen.

Rust veronderstelt volgens Pieper een fundamentele instemming met de wereld. Het veronderstelt ook een instemming met de werkelijkheid van de eigen persoon. Bij Romano Guardini (een auteur die evenzeer als Josef Pieper het lezen waard is) las ik: ‘Hebben wij al eens geprobeerd, God er voor te danken dat wij zijn? Dan weten we dat het ons goed doet en geneest. Het maakt ons één met onszelf, als wij vanuit ons diepste innerlijk zeggen: ik dank U, Heer, dat ik mag zijn.’

Op verveling kan een zinvolle of verrassende activiteit volgen, maar de verveling zelf is zinvol noch verrassend. Voor wie zich verveelt lijkt alles zinloos en voorspelbaar. Maar rust is goed in zichzelf. Wie rust, erkent de zin van alle dingen. 

Verveling is een ramp, rusten is een weldaad. De verveling moet verdreven worden, maar de rust gezocht en nagestreefd.

vrijdag 26 april 2013

Lummelen


Hebben dieren ook wel eens vrije tijd? Daarover ging de Kousbroeklezing van bioloog Tijs Goldschmidt, afgelopen vrijdag in Amsterdam.

Je zou zeggen: kijk op een dag in de nazomer eens naar een groepje spreeuwen dat in het zonnetje zit te flierefluiten, en de vraag is beantwoord. Toch concludeerde Goldschmidt dat de vrije tijd van dieren ‘in zekere zin schijnvrije tijd’ is, en even later zelfs dat vrije tijd in de onvrije natuur ‘eigenlijk niet’ bestaat.

Goldschmidt onderbouwde zijn stelling met onderzoek naar torenvalken. Wat blijkt namelijk: een hardwerkende torenvalk brengt weliswaar meer jongen groot, maar loopt ook een grotere kans de winter niet te overleven dan een luiere soortgenoot.

Een torenvalk die veelvuldig op een paaltje zit te lummelen en minder tijd besteedt aan de jacht heeft dan ook betere vooruitzichten op de lange termijn. Hij heeft dus vrije tijd, zou je zeggen, en het is nog goed voor hem ook. Maar, vraagt Goldschmidt zich af (ik citeer uit de weergave van zijn verhaal in NRC Handelsblad): ‘Verlummelt hij zijn tijd strategisch zodat zijn levensverwachting niet daalt?’

In deze zin gaat een merkwaardige denkfout schuil. Die heeft alles te maken met het woord ‘strategisch’. Als de soezende torenvalk zijn tijd strategisch verlummelt, doet hij dat met een doel, anders kun je het niet strategisch noemen. Oftewel: volgens Goldschmidt bestaat de mogelijkheid dat de valk soms de neiging heeft een ommetje te gaan maken, maar dan bedenkt dat het beter voor zijn levensverwachting is om nog maar even te blijven zitten - en dat dan ook maar doet.

Wat Goldschmidt overkomt is iets wat helemaal niet zelden gebeurt: het verwarren van gevolg en doel. Neem het spel van kinderen. Het is ongetwijfeld goed voor hun verbeelding, voor hun sociale ontwikkeling en voor hun motoriek (dat zijn de gevolgen) maar het zou een bijzonder vervelend kind zijn dat met dat doel een vriendje opzoekt. Hij wil gewoon zijn tijd op een zo plezierig mogelijke manier doorbrengen (dat is het doel). Zo heb ik ook al eens gelezen dat ik mijn kinderen moet voorlezen, omdat dat zo goed is voor hun taalontwikkeling en hun kennis van de wereld (gevolgen). Ik lees liever voor omdat mijn kinderen en ikzelf er genoegen aan ontlenen. De mooie gevolgen nemen we op de koop toe.

Precies zo is het met kunst gesteld. Op het moment dat ik dit tik, luister ik (een beetje) naar het Pianokwintet van Brahms. Ongetwijfeld heeft dat de nodige nuttige gevolgen, maar ik heb het stuk toch echt opgezet omdat ik dacht dat ik het mooi zou vinden. Ook literatuur wordt door verstandige mensen niet gelezen met enig vooropgezet nuttig doel, maar omdat het hun genot schenkt. De Aeneas heeft vast een veredelend effect op zijn lezers, maar dat is toch niet de reden waarom hij op mijn bureau ligt.

Die torenvalk bekommerde zich geenszins om zijn levensverwachting. Hij genoot gewoon van zijn vrije tijd, net zoals een kind van zijn spel of een volwassene van zijn boek, van het staren naar de wolken of van het dutten op de bank.

 

vrijdag 12 augustus 2011

Ego non

Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 12 augustus 2011.

Er is niet veel voor nodig om een mens overeind te houden. Bij de vader van journalist en historicus Joachim Fest was het één zinnetje dat hem voor verkeerde beslissingen behoedde. Hij vond dat zijn kinderen – Joachim was net negen toen hij het hem vertelde – dat zinnetje op moesten schrijven, het in hun geheugen inbranden en het papiertje vervolgens weggooien.

Vader Fest was leraar in Berlijn. Als tegenstander van de nazi’s was hij in 1933 ontslagen. Natuurlijk kon zijn schorsing worden opgeheven; als hij toetrad tot de partij zat er zelfs promotie in. Maar Fest bleef trouw aan zijn overtuiging. ‘Wij zijn geen kleine luiden. Niet in dit soort zaken,’ zei hij tegen zijn vrouw, toen ze er bij hem op aandrong om dan maar een huichelachtig partijlid te worden.
Hitler werd bejubeld in binnen- en buitenland. Hij was de man van de ‘volkssussing’: de gewone man telde zijn zegeningen. De kanselier wist uitstekend hoe hij zijn onderdanen moest imponeren. Als je niet geïmponeerd was, kon je altijd nog zeggen dat je meedeed ‘om erger te voorkomen’. Maar, merkt Fest op, niemand die dat zei heeft inderdaad erger voorkomen – integendeel: het regime won juist aanzien en deskundigheid doordat men partijlid werd. Men bevorderde het erge in plaats van het te voorkomen.
Het zinnetje van zijn vader leverde de titel van de jeugdherinneringen van de inmiddels bijna tachtigjarige Joachim Fest: Ik niet (2006). Het komt uit het Mattheüsevangelie, de woorden van Petrus bij de Olijfberg: ‘Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.’ In het Latijn van de katholieke Fest: Etiam si omnes – ego non! Vrij vertaald: ook al doen ze allemaal mee – ik niet!
Natuurlijk werd Fest in zijn tijd stijfkoppigheid verweten. ‘Moet dat nu per se?’ vroeg een collega meteen na zijn ontslag. De familie verarmde, het sociale isolement nam toe.

Wie de memoires van Joachim Fest leest, kan alleen maar bewondering voelen voor deze vader. Stijfkoppigheid in de negatieve zin van het woord is geen deugd, omdat er geen werkelijk inzicht in de realiteit aan ten grondslag ligt. Het is juist – in termen van de klassieke deugdenleer - de koppeling van fortitudo en prudentia, van moed en verstandigheid, die in bij Fest bewondering afdwingt.
Principieel zijn is in zekere zin eenvoudig voor wie zijn principes duidelijk heeft. Maar het doorzien van de werkelijkheid, in dit geval de Duitse politieke situatie in de jaren ’30, vraagt om een fijngevoeligheid die de Prinzipienreiter-zonder-meer ontbeert. Het pendelen tussen je overtuiging en de werkelijkheid en op basis daarvan tot een morele beslissing komen, dat is de kunst. En het is een kunst temeer om de moed op te brengen aan die beslissing vast te houden, zelfs al brengt die je, zoals vader Fest, in de misère. 

Er is niet veel voor nodig om een mens overeind te houden? Integendeel: dat zinnetje was alleen het topje van een ijsberg. Er zat een deugdzame, moreel gevormde spreker achter. Op karakter komt het aan – iets waar Petrus, de oorspronkelijke spreker, over mee kon praten.