Posts tonen met het label moraal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moraal. Alle posts tonen

donderdag 15 juni 2017

Progressieve chantage

Mijn RD-column van 25 maart

In de media lees ik dat de theoloog Tim Keller géén prijs krijgt van Princeton Theological Seminary. Dat zit zo: Keller zou op 6 april de Kuyper Prize krijgen vanwege zijn ‘innovatieve theologie’, maar omdat zijn standpunten door sommigen te conservatief worden bevonden, krabbelt het seminarie terug. Keller is namelijk tegen het bekleden van kerkelijke ambten door vrouwen en denkt conservatief over homoseksualiteit. Vrouwelijke dominees in de VS spreken over een ‘giftige theologie’ en nemen het woord ‘mishandeling’ in de mond.

Ik signaleer twee opmerkelijke aspecten aan deze kwestie.

De eerste betreft de tolerantie van de progressieve beweging, in de kerk in dit geval. Die tolerantie, waarop progressieven zich graag laten voorstaan, strekt zich blijkbaar uit tot allen die de juiste standpunten hebben – oftewel: niet zo ver. Je zou denken dat verdraagzaamheid juist opgebracht moet worden als iemand anders is of denkt dan jezelf. Het is namelijk nogal eenvoudig om verdraagzaam te zijn jegens iemand die in belangrijke opzichten lijkt op jezelf.

Vanwaar dit onvermogen om de tolerantie wat verder uit te strekken? Het zal te maken hebben met het bij progressieven onuitroeibare idee dat men het ethische gelijk aan zijn zijde heeft, en dat er dus verder niet geargumenteerd hoeft te worden. Conservatief denken over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit is in deze optiek niet eens onjuist, het is vooral slecht. En andersom: progressief denken is niet goed omdat het waar is, maar goed omdat het goed is.

Het tweede aspect heeft te maken met wat C.S. Lewis ‘bulverisme’ noemde: een manier van denken waarbij je er bij voorbaat van uitgaat dat je opponent het bij het verkeerde eind heeft en je denkt dat je alleen nog maar hoeft uit te leggen waaróm hij deze fout maakt. Probleem hierbij is dat je eerst moet aantonen dát je tegenstander een onjuist standpunt heeft – pas daarna kun je proberen te verklaren om welke reden hij dat standpunt inneemt.

Iets van dit bulverisme is aanwezig in de reacties op Keller: men suggereert dat hij zijn standpunt over vrouwen inneemt, omdat hij op vrouwen neerkijkt. Inderdaad: misschien kijkt Keller op vrouwen neer; misschien ook niet. Het maakt niets uit. Of hij vrouwen wel of niet minacht zegt namelijk niets over de juistheid van zijn ideeën over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden.

Zeker, mensen zijn complex, en de wordingsgeschiedenis van iemands overtuigingen is ingewikkeld. Maar wie in alle redelijkheid van gedachten wil wisselen, doet er goed aan om eerst maar eens te gaan kijken naar die overtuigingen zelf. Spijtig dat Princeton toegeeft aan deze morele chantage.

maandag 19 september 2016

Eerst liefde, dan pas haat

Zoals vaker is het C.S. Lewis die de vinger legt bij een te weinig gesignaleerde kwestie. Grasduinend in zijn boek De vier liefdes (1960) kom ik in het hoofdstuk over caritas terecht en wat ik daar lees doet me even opveren. ‘Het is’, schrijft Lewis, ‘niet ongevaarlijk om iemand de plicht op te leggen boven zijn aardse liefde uit te stijgen als zijn eerste moeite nog ligt in het toekomen aan die aardse liefde.’ Als we onze medeschepselen minder liefhebben, denken we maar al te gemakkelijk dat dat komt doordat we God meer liefhebben – maar wellicht is er een heel andere en minder positieve reden voor. We kunnen, aldus Lewis, ten onrechte het verval van de natuur aanzien voor een groei in de genade.

Aardse liefdes, dat zijn de liefdes waarover Jezus spreekt in Lukas 14 vers 26: de liefde tot je vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen. Het gaat om de mensen in onze directe omgeving, en we weten dat Jezus ons oproept om ze te ‘haten’. Maar in deze oproep is, zoals bijna overal in de Bijbel, iets verondersteld, en wel dat we normale mensen zijn. En normale mensen hebben hun verwanten lief. Iemand die een hekel heeft aan zijn broers of zussen, begaat geen christelijke daad door ze te ‘haten’. Maar wie ze liefheeft en toch op zeker moment prioriteit geeft aan wat boven hen uitgaat, wel.

Zouden we in het rijtje natuurlijke liefdes ook vaderlandsliefde mogen opnemen? Ik bedoel daarmee niet alleen de liefde tot de natie, maar ook tot al het lokale en het eigene waarin een persoon geworteld is: zijn Heimat. Is iemand die daarover onverschillig doet, niet ook onderhevig aan een ‘verval van de natuur’? Wanneer deze onverschilligheid een christelijk sausje krijgt, kunnen we zelfs gaan denken aan een ‘groei in de genade’. Maar ten onrechte: ook hiervoor geldt dat we worden opgeroepen om te ‘haten’ wat we liefhebben, niet om te haten waar we toch al niets om geven.

Wie de gedachtegang van Lewis volgt, kan zelfs stellen dat iemand die zonder natuurlijke liefdes leeft, eerst maar eens normaal moet worden, dat wil zeggen: iemand moet worden die liefheeft wat hij natuurlijkerwijze behoort lief te hebben: zijn naasten en zijn vaderland. Pas als dat in orde is, kan hij zijn liefde ten offer brengen aan iets wat daar bovenuit gaat: hij is dan mens geworden alvorens christen te kunnen worden. 

Mijn RD-column van 18 juni 2016

donderdag 2 juni 2016

Materialisme?

Woorden kunnen gemakkelijk de plaats van gedachten innemen. Zo is het geloof ik de afgelopen decennia gegaan met het woord ‘materialisme’. Spreek het uit, breng het in verband met de kwijnende toestand van de christenheid en het punt is gescoord. Een kleine verkenning op internet levert direct treffers op als ‘Gereformeerde gezindte bedwelmd door materialisme’ en ‘Materialisme is grootste dreiging voor westerse kerk’.

Het woord ‘materialisme’ is echter helemaal niet zo geschikt om in deze context dienst te doen. Dat blijkt als je gaat nadenken over de betekenis en de implicaties ervan.

In de eerste plaats suggereert het verwijt van materialisme – en het wordt zelden anders dan als verwijt  gebruikt – dat er iets mis is met materie. Maar de materie is door God gewild. Als Hij heeft besloten dat er materie moest zijn, en dat het er – op welke manier dan ook – altijd zal blijven, is het niet gepast dat wij het minachten of verdacht maken.

Daarnaast is ‘materialisme’ geen scherpe diagnose van wat er werkelijk aan de hand is. Als we echt materialistisch zouden zijn, zouden we de materie koesteren en hoogachten. Dan zouden we een afkeer hebben van verspilling en van het onnodig weggooien van dingen. We zouden onze kapotte spullen een tweede leven proberen te geven en misschien liever iets bij de kringloopwinkel kopen dan het nieuw aanschaffen. Geld zou een bijrol in ons leven vervullen en we zouden een duurzame band opbouwen met de voorwerpen die we bezitten.

Zo is het niet. Mensen die ‘materialistisch’ genoemd worden, kopen juist bij de vleet en gooien ook net zo makkelijk weer weg. Hun probleem is veeleer dat ze hun geluk ontlenen aan hun status en hun status ontlenen aan hun bezittingen. Juist voor de mensen aan wie het geadresseerd is gaat het verwijt van materialisme dus niet op - de mensen van de luxe auto’s, de kapitale nieuwbouwhuizen en de chique merkkledij. Waar zij aan lijden kun je beter consumentisme noemen dan materialisme.

Ik zou het woord materialisme in de hier bedoelde betekenis daarom liever niet meer gebruiken. Er is trouwens een goed alternatief voorhanden. In de traditionele leer van de kerk valt het onmatig najagen van materiële bezittingen onder de hoofdzonde van de avaritia (hebzucht of gierigheid). Vooral het woord ‘hebzucht’ geeft nauwkeurig aan wat er aan de hand is: het is een begeerte om dingen te hebben – en het draait daarbij niet om de dingen maar om het hebben.

Je zou het misschien zo kunnen zeggen: hebzuchtige mensen kunnen best een scheutje materialisme gebruiken.

Mijn RD-column van 7 mei 2016

woensdag 11 juni 2014

Steken na een buiging

Mijn RD-column van 7 juni 2014

Brandon Bryant (28) was zes jaar lang piloot van een drone. Dat klinkt heldhaftiger dan het is. Bryant zat ergens in de woestijn van Nevada in een verduisterde container met een scherm voor zich en een joystick in de hand. Zijn doelwitten liepen in Afghanistan of Irak. Bryant kreeg een commando, hij richtte de sensor, een collega drukte op een knop. Duizenden kilometers verderop, hoog in de lucht, vuurde een drone een raket af. In zijn container zag Bryant hoe de gestalten op zijn scherm geëlimineerd werden. Hij is nu piloot-af en loopt getraumatiseerd rond. De media pikten zijn verhaal gretig op.

We gaan straks de Eerste Wereldoorlog herdenken. Van de stroom boeken die er dit jaar over verscheen, las ik de roman Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans. Het is een invoelend portret van zijn grootvader voor, tijdens en na de oorlog, op basis van de aantekeningen die Hertmans’ opa heeft nagelaten. De grootvader was soldaat in het Belgische leger.

Hertmans vertelt hoe de Belgen op zeker moment tegenover de Duitsers liggen en hoe een groep Duitse soldaten zich overgeeft. Met een witte vlag en de handen omhoog komen ze richting de Belgische positie. Dan gebeurt het. De Belgen staan op om de Duitsers gevangen te nemen, de Duitsers laten zich onmiddellijk plat op de grond vallen en vanuit de Duitse linie achter de capitulanten barst mitrailleurvuur los. Het is één voorbeeld uit vele, van de schending van aloude codes die toenam naarmate de oorlog vorderde.

Hertmans’ roman maakt de geschoktheid van zijn opa goed invoelbaar. Hij was een man uit een Gentse volksbuurt, kunstzinnig maar niet rijk, katholiek, met een ouderwetse moraal. Ook zijn krijgsmoraal was ouderwets en behelsde moed, zelftucht, seksuele ingetogenheid en eergevoel. Hertmans beschrijft hoe deze moraal van de negentiende eeuw (‘de militair die zowat boog boog voor een vijand alvorens hem neer te steken’) plaats maakte voor een gruwelijke morele leegte.


Anno 2014 zijn we op een ander niveau van oorlogsvoering beland. Brandon Bryant doodde mensen die zich op duizenden kilometers bij hem vandaan bevonden, mensen die niet eens wisten dat ze aangevallen werden, in een strijd waaruit elke suggestie van gelijkwaardigheid is verdwenen. Ooit waren we bang dat computerspelletjes ons gewelddadiger zouden maken, nu wordt de werkelijkheid zelf veranderd in een computerspel – met zeer reële gevolgen, dat wel. Het lijkt een cleane vorm van oorlogvoeren, maar de haat en wraakzucht die het oproept, zullen zich ooit een keer in daden omzetten. Enige krijgsmoraal, zo valt te vrezen, zal ook dan geen rol meer spelen.

vrijdag 9 mei 2014

De menselijke natuur

Niet eerder of elders gepubliceerd.

Een woord kan uiteenlopende betekenissen hebben en het is plezierig als iemand die een meerzinnig woord gebruikt erbij vermeldt welke betekenis hij in gedachten heeft. Dat gebeurt lang niet altijd. Het kan zijn dat de gebruiker het nalaat omdat hij denkt dat iedereen wel weet op welke betekenis hij doelt; hij kan bang zijn om te worden vastgepind op een specifieke betekenis; of hij kan er zich simpelweg niet van bewust zijn dat hij een homoniem gebruikt.

A.J. Plaisier, synodescriba van de PKN, sprak onlangs op een studiedag van de Gereformeerde Bond over homoseksualiteit en deed daar volgens het RD-verslag (21 februari 2014) de uitspraak dat homoseksualiteit bij de menselijke natuur hoort. Het probleem van deze uitspraak schuilt in het woordje natuur. C.S. Lewis had er in zijn boek Studies in Words (1960) vijftig bladzijden voor nodig om de complexe betekenisgeschiedenis van natuur te schetsen. Het kan bijvoorbeeld verwijzen naar zulke uiteenlopende zaken als de aard van een individu of soort, naar al het bestaande, of naar het onbedorven landschap buiten de stad.

De vraag is derhalve welke betekenis het woord heeft in de uitspraak van Plaisier. In de woorden die het RD weergaf zie ik drie mogelijkheden.

1) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur zoals die door God bedoeld is en geschapen. In dat geval zou het iets goeds zijn. Natuur staat hier voor de onbedorven aard van de mens. Ik meen dat dit in de klassieke theologie een courante opvatting van het woord natuur is (geen courante opvatting over homoseksualiteit).

2) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur zoals die is geworden door de zondeval.  In dit geval zou het meer of minder slecht kunnen zijn. Dit gebruik van het woord natuur is ook te vinden in de Navolging van Christus (3.55), waar de auteur vermeldt dat het woord natuur gebruikt wordt voor ‘de gebreken en zwakheden der verdorven natuur’, hoewel hij uiteraard erkent dat de menselijke natuur goed geschapen was.

3) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur in die zin dat zonder interventie van buitenaf bij bepaalde personen vanzelf homoseksueel gedrag zal plaatsvinden. Het gaat hier niet zozeer over goed en kwaad, maar over iets wat als feitelijk gebeuren wordt gepresenteerd. Tegengesteld aan natuur in deze betekenis is conventie of opvoeding of dwang: natuur is datgene wat gebeurt als niemand ingrijpt.

In het RD-verslag lijkt Plaisier over te springen van de eerste naar de tweede naar de derde betekenis. Het is mij daardoor niet duidelijk wat hij heeft willen beweren. Wist hij niet dat 'natuur' een complex woord is? Of heeft hij zich - misschien uit schroom - zo voorzichtig willen uitlaten dat hij uiteindelijk niets durfde te zeggen?

Ter toelichting laat ik hier de betreffende citaten uit het RD-verslag volgen.

Homoseksualiteit is niet alleen een pastoraal maar ook een ethisch thema, aldus de scriba. „Is homoseksualiteit onderdeel van de schepping [natuur in betekenis 1], of een afwijking, een gevolg van de zondeval? Het is duidelijk dat de meningen daarover in onze kerken sterk uiteenlopen. Maar ethiek mag nooit worden gereduceerd tot „het mag” of „het mag niet.””

Dan legt dr. Plaisier zijn „persoonlijke kaarten” op tafel. Homoseksualiteit hoort volgens hem tot de menselijke natuur, die niet volmaakt is, „maar waar we het wel mee moeten doen [natuur in betekenis 2]. De beleving van homoseksualiteit gaat tot op het bot. Homo’s doen niet iets wat tegen hun natuur ingaat; ze volgen die [natuur in betekenis 3]. Wie homoseksualiteit als een gave ziet, kan die vormgeven in een duurzame gemeenschapsrelatie.”

maandag 21 april 2014

Geen spijt

Mijn RD-column van 12 april 2014, aangepast en uitgebreid


Waarover hebben mensen op hun sterfbed spijt? Een aantal jaren geleden maakte de Australische verpleegster Bronnie Ware furore met haar artikel ‘Regrets of the Dying’. Ware, die zieken verpleegde in de laatste weken van hun leven, had vaak diepgaand contact met haar patiënten en in hun gesprekken werden vijf thema’s heel vaak genoemd. Mensen betreuren het dat ze het leven hebben geleid dat anderen van hen verwachtten, in plaats van het leven dat bij henzelf paste. Ze betreuren het dat ze te hard gewerkt hebben, dat ze hun vrienden uit het oog verloren zijn, dat ze hun gevoelens niet hebben durven uiten en dat ze zichzelf niet wat meer geluk gegund hebben. De moraal ligt voor de hand: mensen, leer van de stervenden!

Het zou interessant zijn om na te gaan waardoor het artikel van Ware zo populair kon worden. Mijn vermoeden is dat het te maken heeft met het wegvallen van de gevestigde religies en het despotisme van de markt. Als mensen hun geluk louter nog zoeken in economische groei, ook op het persoonlijke vlak, is een conformistisch slavenbestaan immers het meest waarschijnlijke toekomstperspectief. Niet iets om gelukkig van te worden. Mensen gaan op zoek naar een perspectief van waaruit het leven herordend kan worden, van waaruit blijkt wat er echt toe doet en wat niet: een perspectief dat ooit door religies ter beschikking werd gesteld.

Hoe dan ook, populair werd het sterfbedperspectief. Het heeft zelfs de managementboeken gehaald: onlangs zag ik dat Ben Tiggelaar zijn lezers ergens vraagt om zich hun begrafenis voor te stellen en dan te bedenken wat ze zouden willen dat er in de toespraken over hen wordt gezegd.

Het is ongetwijfeld nuttig dat Ware en Tiggelaar hun lezers deze spiegel voorhouden. Mensen die hun vrienden, hun gezin en in feite hun leven opofferen aan hun werk of andere hoogst belangrijke bezigheden zijn er nog steeds; wie zou hun niet de kans willen geven om eens uit die ellendige tredmolen te stappen?

Toch kan het denken vanuit het sterfbedperspectief ook heel gemakkelijk leiden tot een egocentrische vorm van levenskunst. Je kunt als stelregel van je leven nemen dat je op je sterfbed in elk geval geen spijt wilt hebben van de keuzes die je hebt gemaakt en vanuit dat criterium al je nog te maken keuzes beoordelen. Maar dat leidt niet automatisch tot beslissingen die in elk opzicht goed te noemen zijn.

Bij Romano Guardini las ik pas over ‘de moed om het te wagen met Gods wil’. De roep van God komt tot ons, zegt Guardini: in het groot, bij het kiezen van een beroep of een liefde; maar ook in het klein. ‘In de grond van de zaak is immers elke aansporing van het geweten Gods roep. Altijd weer staan wij ervoor, het met de waarheid aan te durven, of te liegen; met de rechtvaardigheid, of het eigen voordeel te zoeken; met de voornaamheid, of af te glijden naar het laaghartige.’


Wijze woorden, dunkt me, die suggereren dat de directieven van het geweten voorrang hebben op het nastreven van geluk. Anders gezegd: doe niet in de eerste plaats datgene waarvan je denkt later geen spijt te zullen hebben. Volg gewoon je geweten en doe wat goed is, met verstandigheid, rechtvaardigheid, matigheid en moed; met geloof, hoop en liefde. Het zou kunnen zijn dat je daar op je sterfbed óók geen spijt van hebt.

vrijdag 9 augustus 2013

Jezus' pedagogiek

Een van de genoegens van de vakantie is dat je tijd hebt om boeken te lezen die je niet per se hoeft, maar wel altijd al wilde lezen. In mijn boekenkast stond Een blik in het onderwijs van Jezus van de Utrechtse hoogleraar M. van Rhijn me al een tijdje uitnodigend aan te kijken. Dit boek – ik bezit een tweede druk uit 1927 – behelst een uitvoerige bespreking van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus uit Lucas 16. Van Rhijn was een vertegenwoordiger van de ethische richting in de theologie. Je merkt dat hij een grote eerbied heeft voor de Heilige Schrift, maar zich tegelijkertijd bepaald niet afsluit voor wetenschappelijke gegevens. Met een bepaald soort orthodoxie  – zeg maar: karikaturaal gereformeerd –heeft hij merkbaar weinig op.

Niet voor niets komt het woord ‘onderwijs’ in de titel voor. Van Rhijn bespreekt, voor hij aan de gelijkenis zelf toekomt, uitvoerig de pedagogische aspecten van de prediking van Jezus. Zo komt hij te spreken over ironie in Jezus’ woorden – iets wat in de jaren twintig allicht schokkender werd gevonden dan nu. Jezus erkent volgens Van Rhijn ‘het zelfbepalingsrecht der persoonlijkheid’. Als een belangrijke ‘paedagogische trek’ in het onderwijs van Jezus ziet Van Rhijn dat de Heer vaak de aandacht richt op ‘een derde, een mensch, of een verhouding, of een zaak, die buiten hem staat’.

Een voorbeeld daarvan is het gedeelte waarin iemand vraagt wie zijn naaste is. Eerst was deze wetgeleerde door Jezus verwezen naar zijn specialisme: hoe leest gij? Maar als hij vervolgens vraagt wie zijn naaste dan wel is, doet Jezus wat volgens Van Rhijn het enig juiste is. ‘Deze man moest vanuit zijn overgeleverd geloof eens voor de vlakke werkelijkheid worden gezet en verder: deze man moest uit de duffe lucht der Synagoge en der Rabbijnsche problemen eens even in de frissche atmosfeer buiten worden geplaatst.’ Dan volgt het verhaal over de barmhartige Samaritaan. Geen discussie, geen moraalpreek, maar aanschouwelijk onderwijs.

Jezus bewerkt zijn publiek niet, maar biedt het de kans om het eigen geweten te laten spreken. Hij laat de mensen niet zozeer zichzelf in de spiegel zien, maar een ander, een derde, over wie ze zich een oordeel kunnen vormen – en dat oordeel mogen ze vervolgens zelf op zichzelf betrekken.


Het komt me voor dat deze benadering – denk ook aan het verhaal dat Nathan vertelt nadat David overspel met Batseba heeft gepleegd – iets te zeggen heeft over wat kunst is en hoe kunst kan werken. Een schrijver biedt zijn lezers de kans om zichzelf terug te zien in de personages die hij ten tonele voert, of beter gezegd, om zijn personages als voorbeeld of juist als tegenvoorbeeld te willen beschouwen. Een moraalpreek (Van Rhijn gebruikt dit woord) houdt minder afstand, voelt beklemmend en wekt daardoor allicht verzet. De distantie van het kunstwerk creëert gewetensruimte. Historisch gezien is het geen gekke gedachte om literatuur te beschouwen als leverancier van exempla, voorbeelden ter navolging. Theologisch beschouwd lijkt het niet minder verantwoord: een verhaal als uitnodiging tot reflectie.

vrijdag 12 juli 2013

Vervelend

Pleidooien voor verveling – van tijd tot tijd zijn ze in de Nederlandse media te vinden. De stukken gaan over pubers die zich tijdens de lange zomervakantie niet weten te amuseren en alleen maar wat rondhangen. Of ze gaan over de mens in het algemeen die tegenwoordig zo druk is dat hij altijd iets te doen heeft, waardoor hij zich nooit meer verveelt. De teneur is meestal dat het geen kwaad kan om je te vervelen, of zelfs dat het goed voor je is. Je zou er creatief van worden, je zou ervan leren stil te staan bij je gevoel.

Maar gaat het hier wel over verveling? Mijn woordenboek zegt dat iemand zich verveelt als hij niet weet wat te doen en daardoor landerig gestemd is. Landerig, dat is: slecht geluimd, niet opgewekt. Van Dale heeft gelijk: verveling is vooral een negatieve emotie. Je weet niet wat te doen en daardoor ben je slecht geluimd. 

Als ik bij mezelf te rade ga, betekent verveling vooral dat je allerlei mogelijke tijdspasseringen aan het aftasten bent, maar dat ze je geen van alle aantrekkelijk voorkomen. Je bent voortdurend opties aan het afwijzen. Voor wie zich verveelt is de wereld grijs en grauw. Ik kan niet inzien dat dit voor wie dan ook een nuttige ervaring zou kunnen zijn – tenzij om na te kunnen voelen wat een depressie is.

Wat goed voor een mens is, dat is het afzien van doelgerichte activiteit, om de werkelijkheid aan het woord te laten, om gedachten of beelden zich spontaan te laten opdringen. ‘Als de ziele luistert spreekt het al een taal dat leeft’. Dat is rust, en rust is inderdaad heilzaam. Maar er is haast niets wat zozeer van verveling verschilt als rust.

Rust is bewust of onbewust niets doen, of in de woorden van Josef Pieper (met het essay ‘Rust en beschaving’ een onvermijdelijke auteur bij dit thema) ‘de houding van niet-activiteit, de innerlijke kalmte, de ontspanning, het gebeuren-laten en het zwijgen’, ‘de houding van het ontvankelijk vernemen, van het aanschouwende, contemplatieve verzinken in het zijnde’.

Voor wie rust, is de wereld niet grijs. Integendeel: de werkelijkheid doet ertoe en wel zozeer dat je er zelf een moment het zwijgen toe wilt doen. Volgens Pieper is de rust zelfs een ‘vierende’ houding. De rust leeft uit het beamen, de verveling uit het afwijzen.

Rust veronderstelt volgens Pieper een fundamentele instemming met de wereld. Het veronderstelt ook een instemming met de werkelijkheid van de eigen persoon. Bij Romano Guardini (een auteur die evenzeer als Josef Pieper het lezen waard is) las ik: ‘Hebben wij al eens geprobeerd, God er voor te danken dat wij zijn? Dan weten we dat het ons goed doet en geneest. Het maakt ons één met onszelf, als wij vanuit ons diepste innerlijk zeggen: ik dank U, Heer, dat ik mag zijn.’

Op verveling kan een zinvolle of verrassende activiteit volgen, maar de verveling zelf is zinvol noch verrassend. Voor wie zich verveelt lijkt alles zinloos en voorspelbaar. Maar rust is goed in zichzelf. Wie rust, erkent de zin van alle dingen. 

Verveling is een ramp, rusten is een weldaad. De verveling moet verdreven worden, maar de rust gezocht en nagestreefd.

vrijdag 12 augustus 2011

Ego non

Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 12 augustus 2011.

Er is niet veel voor nodig om een mens overeind te houden. Bij de vader van journalist en historicus Joachim Fest was het één zinnetje dat hem voor verkeerde beslissingen behoedde. Hij vond dat zijn kinderen – Joachim was net negen toen hij het hem vertelde – dat zinnetje op moesten schrijven, het in hun geheugen inbranden en het papiertje vervolgens weggooien.

Vader Fest was leraar in Berlijn. Als tegenstander van de nazi’s was hij in 1933 ontslagen. Natuurlijk kon zijn schorsing worden opgeheven; als hij toetrad tot de partij zat er zelfs promotie in. Maar Fest bleef trouw aan zijn overtuiging. ‘Wij zijn geen kleine luiden. Niet in dit soort zaken,’ zei hij tegen zijn vrouw, toen ze er bij hem op aandrong om dan maar een huichelachtig partijlid te worden.
Hitler werd bejubeld in binnen- en buitenland. Hij was de man van de ‘volkssussing’: de gewone man telde zijn zegeningen. De kanselier wist uitstekend hoe hij zijn onderdanen moest imponeren. Als je niet geïmponeerd was, kon je altijd nog zeggen dat je meedeed ‘om erger te voorkomen’. Maar, merkt Fest op, niemand die dat zei heeft inderdaad erger voorkomen – integendeel: het regime won juist aanzien en deskundigheid doordat men partijlid werd. Men bevorderde het erge in plaats van het te voorkomen.
Het zinnetje van zijn vader leverde de titel van de jeugdherinneringen van de inmiddels bijna tachtigjarige Joachim Fest: Ik niet (2006). Het komt uit het Mattheüsevangelie, de woorden van Petrus bij de Olijfberg: ‘Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.’ In het Latijn van de katholieke Fest: Etiam si omnes – ego non! Vrij vertaald: ook al doen ze allemaal mee – ik niet!
Natuurlijk werd Fest in zijn tijd stijfkoppigheid verweten. ‘Moet dat nu per se?’ vroeg een collega meteen na zijn ontslag. De familie verarmde, het sociale isolement nam toe.

Wie de memoires van Joachim Fest leest, kan alleen maar bewondering voelen voor deze vader. Stijfkoppigheid in de negatieve zin van het woord is geen deugd, omdat er geen werkelijk inzicht in de realiteit aan ten grondslag ligt. Het is juist – in termen van de klassieke deugdenleer - de koppeling van fortitudo en prudentia, van moed en verstandigheid, die in bij Fest bewondering afdwingt.
Principieel zijn is in zekere zin eenvoudig voor wie zijn principes duidelijk heeft. Maar het doorzien van de werkelijkheid, in dit geval de Duitse politieke situatie in de jaren ’30, vraagt om een fijngevoeligheid die de Prinzipienreiter-zonder-meer ontbeert. Het pendelen tussen je overtuiging en de werkelijkheid en op basis daarvan tot een morele beslissing komen, dat is de kunst. En het is een kunst temeer om de moed op te brengen aan die beslissing vast te houden, zelfs al brengt die je, zoals vader Fest, in de misère. 

Er is niet veel voor nodig om een mens overeind te houden? Integendeel: dat zinnetje was alleen het topje van een ijsberg. Er zat een deugdzame, moreel gevormde spreker achter. Op karakter komt het aan – iets waar Petrus, de oorspronkelijke spreker, over mee kon praten.






vrijdag 14 januari 2011

Die ene hoofdzonde


Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 14 januari 2011


Wie zijn de zondaars van dit moment? Ik geloof dat rooms-katholieke geestelijken, nu natuurlijk geflankeerd door Robert M., hoge ogen gooien. De verontwaardiging over hun wangedrag kent geen grenzen. Zelfs een op niets gebaseerd bericht over de paus, die er deze week voor gepleit zou hebben om kinderen christelijke voornamen te geven, is op internet  aanleiding om veelvuldig smadelijk te zinspelen op de misbruikschandalen: ‘He might want to care more about how those kids in the care of the RCC are being treated, hum?’ Als aartsbisschop Léonard iets aardigs zegt over aids (‘geen straf, hoogstens een soort immanente gerechtigheid’) krijgt hij heel Nederland en Vlaanderen over zich heen: hoe durft hij, en dan nog wel na alle affaires?

Gemakshalve vergeet men enkele feiten. Nog in de jaren ’90 vonden parlementariërs van D66, PvdA en GroenLinks dat het bezit van kleine hoeveelheden kinderporno niet strafbaar moest zijn. Ruurd Ubels citeerde in de ND-bijlage Het Katern (1 oktober 2010) een uitspraak van een arts in Ouders van nu: ‘Kan sexueel contact kwaad als daarbij geen pijn of letsel wordt aangedaan? Als men een kind mag strelen, waarom dan ook niet genitaal?’ We schrijven dan 1971.

Met de huidige fixatie op zondaars in sexualibus lijken eerdere eenzijdigheden te worden hernomen. Zo’n zeventig jaar geleden hield Dorothy Sayers (de detectiveschrijfster die ook Dantevertaler was) een lezing waarin ze er al over klaagde dat ‘onzedelijkheid’ een veel te smalle invulling kreeg. ‘Iemand kan hebzuchtig en egoïstisch zijn; wrokkig, wreed, jaloers en onrechtvaardig; gewelddadig en wreed; inhalig, gewetenloos en leugenachtig; koppig en arrogant; dom, gemelijk en gevoelloos voor elk edel instinct – en nog staan we klaar om van hem te zeggen dat hij niet onzedelijk is.’

Sayers haalt een student aan die in alle oprechtheid tegen haar zei: ‘Ik wist niet dat er zeven hoofdzonden waren: wilt u me de naam van de andere zes vertellen?’ De titel die Sayers aan haar lezing (later als essay gepubliceerd) gaf, was dan ook ‘The Other Six Deadly Sins’. Niet dat luxuria geen zonde was. Het probleem was juist dat iedereen het christelijke begrip zonde er zo ongeveer mee gelijkstelde. De andere zes hoofdzonden – maar dat weet de ND-lezer natuurlijk – zijn: toorn, gulzigheid, begeerte, afgunst, traagheid en hoogmoed. Juist in de analyses van die andere hoofdzonden levert Sayers scherpe en inzichtgevende kritiek op de moderne wereld.

De traditionele christelijke moraal verbloemt of vergoelijkt  de zonden van de paters en fraters niet – integendeel: homoseksualiteit was altijd nog iets anders dan overspel, en voor seksuele contacten met kinderen bestond naar ik aanneem nog minder begrip. Wel helpt de indeling in zeven hoofdzonden om de ogen open te houden voor allerlei andere soorten zonde, die het leven evenzeer bederven als de wellust. Daardoor blijft ons beeld van de maatschappij wat realistischer: misbruik door geestelijken is een schande - maar er zijn meer en subtielere ondermijnende krachten, des te gevaarlijker naarmate ze respectabeler ogen. Wie een hedendaags equivalent van begeerte, traagheid en hoogmoed invult, ziet wat ik bedoel. Of zijn economische groei, entertainment en zelfbeschikking iets van het verleden?



vrijdag 13 november 2009

Zonder normen geen komedie; 'Trots en vooroordeel' opnieuw vertaald

Er is wel eens beweerd dat Jane Austen (1775-1817) maar één plot heeft bedacht. Al haar romans gaan over de jacht op een echtgenoot, ze spelen zich af in eenzelfde milieu (iets beneden de aristocratie) en in menig opzicht lijken de hoofdpersonen sterk op elkaar. Als dat waar is, en het is zeker niet geheel onwaar, zegt het nog niet zo veel over de kwaliteit van haar werk. Een roman als Trots en vooroordeel, onlangs in een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen, is nog steeds buitengewoon leesbaar. De scherpzinnigheid waarmee Austen deugden en vooral ondeugden ontleedt is niet alleen onderhoudend maar ook leerzaam.

De romans van Austen zijn relatiesprookjes. Hoe diep de twee ook in de penarie zitten, uiteindelijk krijgen ze elkaar. In Trots en vooroordeel (Pride and Prejudice, 1813) zijn het Elizabeth Bennet en Fitzwilliam Darcy. Door de vele verfilmingen van het boek is het verhaal algemeen bekend. Hij is een rijke aristocraat, ruim voorzien van hooghartigheid; zij is van beduidend lagere stand en behept met de neiging haar eerste indrukken te volgen. Geringschatting van de ene kant en afkeer van de andere zijn ten slotte geen beletsel. Hij legt zijn arrogantie af en zij ziet in dat ze zich in haar oordeel over hem vergist heeft.

Tot zover is er weinig bijzonders aan de hand. Menige liefdes- of streekroman is op het zelfde stramien geborduurd. Opmerkelijk genoeg brengen de romans van Austen, bijna tweehonderd jaar oud, echter nog steeds pennen in beweging. Zowel uitgesproken progressieve als meer conservatieve denkers geven blijk van affiniteit met haar werk.

Zo citeert Cisca Dresselhuys, voormalig hoofdredactuer van het feministische blad Opzij, in het nawoord van de nieuwe vertaling van Trots en vooroordeel Fay Weldon. Met merkbare spijt constateert Weldon dat Austen dan wel geen feministe was, maar dat ze dan toch wel ,,voor het eerst de gedachte opperde dat het persoonlijke, het emotionele, in feite het morele is’’. Daarmee heeft Austen volgens Weldon ,,een erfenis nagelaten waar de toekomst op gebouwd kan worden’’.

Anderzijds is Austen voor de rooms-katholieke filosoof Alasdair MacIntyre ,,de laatste grote representant van de klassieke traditie van de deugden’’. In zijn boek After Virtue (1981) betoogt MacIntyre dat Austen een unieke synthese biedt van het christelijke en het aristotelische denken over deugden en deugdzaamheid. Hij zet de deugdencatalogus van Austen zonder blikken of blozen naast die van Homerus, Aristoteles en het Nieuwe Testament.

Het is een interessante vraag hoe christelijk het werk van Austen is. Natuurlijk speelt het zich af tegen het decor van een christelijke samenleving, om precies te zijn de Engelse van ongeveer 1800. Austen was zelf dochter (en zus) van een plattelandsdominee, en de Anglicaanse kerk is een instituut waarvan de aanwezigheid en het gezag in haar romans allerminst worden aangevochten. (Al zal de lezer van Trots en vooroordeel opmerken dat de pompeuze, zelfingenomen dominee Collins geen sieraad voor zijn genus is, ook al is hij dat wel voor de roman.) Toch ligt de christelijkheid er in haar romans niet dik bovenop. Preciezer gezegd: het is niet de inzet van haar werk, maar de achtergrond ervan.

De lezer wordt dus niet vergast op bekeringsgeschiedenissen. Alhoewel – in een essay over de romans van Austen heeft C.S. Lewis laten zien dat vier van haar zes romans draaien om de spil van een ,,undeception’’. Elizabeth komt er in Trots en vooroordeel achter dat ze Darcy totaal verkeerd heeft ingeschat, dat ze ,,vooringenomenheid en onkunde nagejaagd en het gezond verstand de deur uit gezet’’ heeft. Ze vindt haar eigen gedrag verachtelijk en komt tot de slotsom: ,,Tot op dit moment heb ik mijzelf nooit gekend.’’

Volgens Lewis wordt de ‘ont-misleiding’ die de personages ten deel valt, steevast verwoord in theologische of bijna-theologische termen. Austen gebruikt de grote abstracta van de klassieke Engelse moralisten. Zonder haar christelijker te maken dan ze is – wat ook helemaal niet nodig is – legt hij daarmee de religieuze achtergrond bloot van de ethische thematiek die ze in haar romans aansnijdt. Onmiskenbaar is het toch een soort bekering die de personages doormaken. Dat geldt in Trots en vooroordeel niet alleen voor Elizabeth, maar ook voor Darcy en in zekere zin ook voor Elizabeths vader. De morele wereld van Jane Austen is zo vanzelfsprekend bepaald door het christendom dat haar personages hun inzicht in zichzelf niet anders kunnen formuleren dan met woorden uit de christelijke traditie.

Hoe kan het ook anders. Volgens haar biograaf David Cecil (A Portrait of Jane Austen, 1978) was de religie in het leven van Austen van de grootste betekenis en het grootste belang, ook al was ze niet geneigd om er veel over te praten, conform de terughoudendheid die norm was in de familie Austen. Het lijkt een parallel met haar werk: ook daar is het terughoudendheid troef, ook daar speelt de christelijke religie vooral op de achtergrond een bepalende rol.

Trots en vooroordeel is een komedie, zoals alle romans van Jane Austen komedies zijn. De opgeblazenheid van dominee Collins, het gedrag van moeder Bennet (dat zelfs de lezer met schaamte vervult) en de onbeschoftheid van de aristocratische Lady Catherine De Bourgh zouden als bewijs kunnen volstaan. Humor is daar wanneer van de norm wordt afgeweken en een komedie laat niets anders zien dan een afwijking van de norm. Daarom is het essentieel voor een komedie dat er vaste normen zijn; zonder norm is er namelijk niets wat belachelijk is. Het morele karakter van de wereld van Austen is dus niet de vijand van, maar de voorwaarde voor het komische element in haar werk. Austen stelt met graagte aan de kaak wat afwijkt van deugd, gezond verstand en goede smaak. Ook al overwint Darcy zijn weerzin tegen het ,,totale gebrek aan correctheid en fatsoen’’ dat door Elizabeths familie wordt tentoon gespreid, als de twee zijn getrouwd vluchten ze snel naar Darcy’s stijlvolle Pemberley.

Als jong meisje schreef Jane Austen al veel. Ze heeft daarvan het nodige bewaard. Aan dat vroege werk is te merken dat ze is gaan schrijven met als doel om haar lezer aan het lachen te maken. In het gezin Austen – de gezinsleden waren zeer betrokken op elkaar, maar in zekere zin erg gesloten – was humor een van de grote genoegens. Slechte manieren, aanstellerij en sentimentaliteit konden op vileine spot rekenen. Zo ook in Trots en vooroordeel. Over Lady Catherine De Bourgh wordt gezegd: ,,Lady Catherine had nog vele andere vragen te stellen over de reis en omdat zij ze niet allemaal zelf beantwoordde, moest er opgelet worden’’. Over Elizabeths zus Mary staat er dat ze in staat was om te moraliseren ,,over ieder ochtendbezoekje’’. Jane Austen zelf moraliseert niet of nauwelijks: ze schreef om de lezer te vermaken. Ze vond dat een romanschrijver de lezer niet direct moest beleren maar hem hoogstens voorbeelden kon laten zien.

Wie de romans van Austen echter als amusement zonder meer zou zien, zou haar en zichzelf tekort doen. Naast uitgesproken burleske elementen en personages zijn er Elizabeth en Darcy, wier trots en vooroordelen zeker een serieuze benadering krijgen. Het is vooral de scherpzinnigheid waarmee Austen de morele houding van haar personages uiteenrafelt die het lezen van haar romans niet alleen tot een plezierige maar ook tot een leerzame ervaring maakt (al kan ook het belachelijk maken van iets tot goede resultaten leiden). Austens formuleringen worden dan vaak uiterst spits: ,,ik zou hém zijn trotse gedrag zonder moeite kunnen vergeven, als hij mij niet in míjn trots had gekrenkt,’’ zegt Elizabeth. En een staaltje van karakterbeschrijving: ,,Mijn moed neemt toe met iedere poging mij te intimideren’’. Zie ook een terloopse vaststelling als: ,,juffrouw Bingley kon met voldoening constateren dat ze hem gedwongen had te zeggen wat niemand anders pijn deed dan haarzelf’’.

De vader van Elizabeth is een figuur die in Trots en vooroordeel niet op de voorgrond treedt maar niettemin markant is. In sommige opzichten lijkt hij een Austen bij uitnemendheid. Hij vindt zijn vrouw en zijn dochters voornamelijk onnozel en heeft niet de moed of de wilskracht om daar iets aan te doen. Wat amuseert zich slechts over die onnozelheid. ,,Aan zijn vrouw had hij weinig meer te danken dan wat haar onwetendheid en dwaas gedrag hadden bijgedragen tot zijn amusement. Dat is niet het soort geluk dat een man over het algemeen aan zijn vrouw te danken zou willen hebben, maar waar andere bronnen van vertier ontbreken trekt de ware filosoof profijt van de bronnen die beschikbaar zijn.’’ Uiteindelijk breekt zijn gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef de familie ernstig op en ook bij vader Bennet treedt dan een soort undeception op. Hij is een typisch voorbeeld van de voorbeelden die een schrijver volgens Austen kan leveren.

Trots en vooroordeel is nu verkrijgbaar in een frisse nieuwe vertaling. De echte liefhebber zal direct vragen hoe de beroemde eerste zin is vertaald; als volgt: ,,Het is een waarheid die iedereen, waar ook ter wereld, zal onderschrijven: een ongehuwde man met een behoorlijk vermogen heeft behoefte aan een echtgenote.’’ Al zijn er in de vertaling van Roeleveld en Stevens passages aan te wijzen waarin het Engels nog te veel door het Nederlands heen schemert (,,de terechtheid van de beschuldiging was zo duidelijk dat ontkennen niet mogelijk was’’) en gebruiken de vertaalsters standaard ,,dat’’ in plaats van ,,wat’’ na een onbepaald voornaamwoord, hun vertaling is een knappe benadering van de toon van het origineel. Het werk van Jane Austen fonkelt ook in het Nederlands.


Trots en vooroordeel
Jane Austen (vert. Annelies Roeleveld en Margret Stevens). Uitg. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2009. 362 blz. € 32,50


 (Gepubliceerd in de bijlage ‘Het Katern’ van het Nederlands Dagblad, 13 november 2009)