Posts tonen met het label rooms-katholicisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rooms-katholicisme. Alle posts tonen

vrijdag 26 juli 2013

Van der Plas

Toen ik hoorde van het overlijden van Michel van der Plas, heb ik In de kou eens uit de kast getrokken. Dat is de weergave van een aantal gesprekken die Van der Plas en Godfried Bomans in 1969 voerden ‘over hun roomse jeugd en hoe het hun verder verging’, zoals de ondertitel luidt.

Van der Plas schijnt lang het gevoel gehad te hebben dat hij in de schaduw van Bomans stond. Als je In de kou doorneemt is dat voorstelbaar. Bomans, die overigens veertien jaar ouder was dan Van der Plas, domineert de gesprekken. Hij strooit met sterke verhalen en heeft altijd een rake vergelijking paraat. Van der Plas is de man die voorzichtig en bescheiden vragen stelt, mogelijkheden oppert, voorzetjes geeft.

Een ding hebben beide heren gemeen. Ze zijn beiden nogal halfslachtige gelovigen. Ze komen nog regelmatig in de kerk, maar het geloof in wat daar gebeurt hebben ze grotendeels verloren. Ze teren, zeggen ze, op wat ze in hun door en door katholieke opvoeding hebben meegekregen. Maar zelf hebben ze ook kinderen. Wat moeten ze hun meegeven, hoe kerkelijk mag het zijn? Dat zijn moeilijke vragen voor een loyale geloofsverliezer.

Uit In de kou neem ik een aantal uitspraken van Van der Plas over, bij wijze van in memoriam. Soms heb ik ze iets ingekort.

Over de kerk van zijn jeugd: ‘We werden als kind in de kerk geboeid, er was veel te zien en te beleven; verder was het zo dat je zelden of nooit uitging, en dat je thuis niets geboden kreeg in de vorm van wat je nu geboden krijgt via radio en televisie.’

Over de eeuwige straf, zoals daarover in zijn jeugd geschreven werd: ‘Wij moeten ons de wereld voorstellen als een koperen bol, en eens in de honderd jaar komt er een vogeltje langs en glijdt met zijn vleugeltje ergens over die bol. En als die bol is afgesleten, dan is er nog geen seconde van de eeuwigheid… Daar heb ik panisch over wakker gelegen.’

Over de vroegere verhouding tot andersdenkenden:  ‘Je verwachtte min of meer dat ze nog eens een keer zo verstandig zouden zijn om tot onze club toe te treden. Intussen was het beroerd voor ze dat ze geen enkele heerlijke zekerheid hadden.’

Over heiligverklaringen: ‘Beschouwen wij nu, 1969, de mensen die door de kerk van Rome heilig zijn verklaard, ook als de mensen die heilig verklaard zouden moeten worden?’

Over het geloof: ‘Daar sta ik ’s zondags in de kerk, en dan zegt de pastoor na de preek: Nu staan wij allen op om samen ons geloof te belijden. Dan weet ik van mezelf: ik praat maar mee met de mensen, maar ik belijd mijn geloof niet.’

Over zijn zoontje, als die zijn afschuw van kerkdiensten soms kenbaar maakt: ‘Na een hele week vind ik het minste wat je doen kunt, om althans een uurtje aan onze lieve heer te denken, op de een of andere manier.’


Ten slotte over zijn geloof anno 1969: ‘Op het ogenblik ben ik geneigd te zeggen: ik wil nu niets meer missen, van de paar halve zekerheden die ik nog heb. Nu heb ik al zoveel uit mezelf zien vertrekken, nee, nu moet er niet nog meer van af. Maar ik weet dat er nog meer af zal gaan.’

vrijdag 12 juli 2013

Vervelend

Pleidooien voor verveling – van tijd tot tijd zijn ze in de Nederlandse media te vinden. De stukken gaan over pubers die zich tijdens de lange zomervakantie niet weten te amuseren en alleen maar wat rondhangen. Of ze gaan over de mens in het algemeen die tegenwoordig zo druk is dat hij altijd iets te doen heeft, waardoor hij zich nooit meer verveelt. De teneur is meestal dat het geen kwaad kan om je te vervelen, of zelfs dat het goed voor je is. Je zou er creatief van worden, je zou ervan leren stil te staan bij je gevoel.

Maar gaat het hier wel over verveling? Mijn woordenboek zegt dat iemand zich verveelt als hij niet weet wat te doen en daardoor landerig gestemd is. Landerig, dat is: slecht geluimd, niet opgewekt. Van Dale heeft gelijk: verveling is vooral een negatieve emotie. Je weet niet wat te doen en daardoor ben je slecht geluimd. 

Als ik bij mezelf te rade ga, betekent verveling vooral dat je allerlei mogelijke tijdspasseringen aan het aftasten bent, maar dat ze je geen van alle aantrekkelijk voorkomen. Je bent voortdurend opties aan het afwijzen. Voor wie zich verveelt is de wereld grijs en grauw. Ik kan niet inzien dat dit voor wie dan ook een nuttige ervaring zou kunnen zijn – tenzij om na te kunnen voelen wat een depressie is.

Wat goed voor een mens is, dat is het afzien van doelgerichte activiteit, om de werkelijkheid aan het woord te laten, om gedachten of beelden zich spontaan te laten opdringen. ‘Als de ziele luistert spreekt het al een taal dat leeft’. Dat is rust, en rust is inderdaad heilzaam. Maar er is haast niets wat zozeer van verveling verschilt als rust.

Rust is bewust of onbewust niets doen, of in de woorden van Josef Pieper (met het essay ‘Rust en beschaving’ een onvermijdelijke auteur bij dit thema) ‘de houding van niet-activiteit, de innerlijke kalmte, de ontspanning, het gebeuren-laten en het zwijgen’, ‘de houding van het ontvankelijk vernemen, van het aanschouwende, contemplatieve verzinken in het zijnde’.

Voor wie rust, is de wereld niet grijs. Integendeel: de werkelijkheid doet ertoe en wel zozeer dat je er zelf een moment het zwijgen toe wilt doen. Volgens Pieper is de rust zelfs een ‘vierende’ houding. De rust leeft uit het beamen, de verveling uit het afwijzen.

Rust veronderstelt volgens Pieper een fundamentele instemming met de wereld. Het veronderstelt ook een instemming met de werkelijkheid van de eigen persoon. Bij Romano Guardini (een auteur die evenzeer als Josef Pieper het lezen waard is) las ik: ‘Hebben wij al eens geprobeerd, God er voor te danken dat wij zijn? Dan weten we dat het ons goed doet en geneest. Het maakt ons één met onszelf, als wij vanuit ons diepste innerlijk zeggen: ik dank U, Heer, dat ik mag zijn.’

Op verveling kan een zinvolle of verrassende activiteit volgen, maar de verveling zelf is zinvol noch verrassend. Voor wie zich verveelt lijkt alles zinloos en voorspelbaar. Maar rust is goed in zichzelf. Wie rust, erkent de zin van alle dingen. 

Verveling is een ramp, rusten is een weldaad. De verveling moet verdreven worden, maar de rust gezocht en nagestreefd.

vrijdag 28 juni 2013

Hiervoormaals

Het is geloof ik niet algemeen bekend dat Godfried Bomans de schrijver is van een kloosterkroniek. Men associeert hem eerder met humoristische vertellingen of dito optredens in de media. Toch: Bomans is een chroniqueur, en hij heeft zich met ernst van zijn taak gekweten. In Trappistenleven beschrijft hij de geschiedenis van de abdij van Zundert en dat doet hij op een dienstbare, ingetogen en vrome wijze, met slechts hier en daar een schalkse opmerking.

In de jaren die Bomans beschrijft gold in de cisterciënzer kloosters, waaronder ook de abdij te Zundert, nog het silentium: men communiceerde in gebarentaal en slechts bij uitzondering kregen de paters en broeders verlof om te spreken. Contemplatie veronderstelt immers stilte.

Kees Fens, die een inleiding tot Trappistenleven schreef, beschouwt het als Bomans’ beste werk. Hij roemt zijn ‘ongelooflijk groot inlevingsvermogen’. Maar de beschreven kloostergeschiedenis (de eerste helft van de twintigste eeuw) is voor zijn gevoel voltooid verleden tijd. Hij noemt Bomans’ boek een ‘bericht uit een hiervoormaals’. Voor de duidelijkheid: de eerste druk van Trappistenleven verscheen in 1950; Fens schreef zijn inleiding in 1973.

In monastieke termen betekenen 23 jaren niets – maar hier vormen ze dus een diepe en brede kloof.  In het hiervoormaals werd van iemand die het klooster verliet gezegd dat hij ‘naar de wereld terug’ ging. Het was een tijd waarin het onderscheid tussen kerk en wereld, tussen gelovigen en ongelovigen volstrekt helder was, een tijd ook waarin het gezag van de autoriteiten binnen de Catholica onaangevochten was. En niet in de laatste plaats een tijd waarin de gelovigen groot respect hadden voor een geestelijke die de contemplatie als zijn roeping beschouwde. Als het doel van het menselijk bestaan gelegen was in de aanschouwing Gods, wat kon je dan hier op aarde beter doen dan daarop vast een voorschot nemen?

Deze maand – juni 2013 – overleed in de abdij Buenafuente del Sistal, ten noordoosten van Madrid, een ordegenote van de Zundertse monniken. De cisterciënzerin Teresita Barajuen werd 105 jaar oud. Geboren in 1907, ingetreden in 1927 en sindsdien vrijwel nooit meer het klooster uitgeweest. (Katholiek Nieuwsblad meldde dat ze gedurende de Spaanse Burgeroorlog  het klooster had verlaten, maar in haar begrafenispreek op de website van haar abdij meen ik te lezen dat ze toen juist blééf.) 86 jaar heeft ze achter het slot geleefd.

The Huffington Post meldde in het bericht over haar dood met enige nadruk dat zuster Teresita destijds intrad onder druk van haar familie. De reaguurders kookten, zoals van hen mocht worden verwacht, van verontwaardiging: een verspild leven, en dat nog afgedwongen ook! Maar ook dat hoorde bij die vervlogen tijd. De non zelf leek het niet te betreuren. In een interview werd haar gevraagd of ze gelukkig was geweest in het klooster. ‘Ja, hoe zou je het anders 86 jaar volhouden?’


Madre Teresita Barajuen is niet meer. Met haar zal een van de laatste overlevenden uit het hiervoormaals zijn heengegaan. Moge zij rusten in vrede.

vrijdag 29 maart 2013

Franciscus en de paus


Ecco il santo, riepen de mensen als Franciscus van Assisi een stad of dorp binnenkwam: daar is de heilige! Men luidde de klokken en ging zingend voor hem uit met takken in de handen. Zover is het met paus Franciscus nog niet, maar het is duidelijk dat hij op dit moment buitengewoon geliefd is. Ook seculiere media kunnen zich maar moeilijk aan het enthousiasme onttrekken. De berichten over zijn appartement (in plaats van een bisschoppelijk paleis), zijn reizen met de metro (in plaats van met een dienstauto) en zijn bezoeken aan sloppenwijken zijn uitentreuren herhaald. Ongetwijfeld zal men straks zijn gal spuwen als hij blijkt vast te houden aan de overgeleverde standpunten over de heikele ethische thema’s, geworteld als die zijn in een eeuwenoude denktraditie. Van Hosanna naar het kruis.

Franciscus is de eerste paus die deze naam kiest. Is dat revolutionair? Hij verwijst ermee naar de heilige Franciscus van Assisi (1182-1226), wiens naam destijds zeker ongewoon was: waarom zou je als Italiaan je kind ‘Fransman’ noemen? Het verhaal is dat zijn moeder haar pasgeboren zoon Giovanni noemde, maar dat vader Bernardone voor de naam Franciscus koos, naar het land dat hij zojuist op zakenreis had bezocht. De betrouwbaarheid van deze anekdote staat niet vast, maar wel is duidelijk dat deze naam bijzonder en ongebruikelijk was.

Bijzonder en ongebruikelijk zou ook het latere optreden van Franciscus zijn. Bekend is het werk van Giotto, waarop afgebeeld is hoe Franciscus zijn kleren aflegt – hij geeft ze in feite terug aan zijn vader, wiens eigendom ze waren. Zijn vader verklaarde hem voor gek dat hij een welvarende toekomst vergooide om in armoede te gaan leven. De sympathie van de biografen ligt steevast bij Franciscus en niet bij zijn vader, maar diens verontwaardiging is alleszins voorstelbaar. Het was een tijd waarin de steden groeiden, de handel bloeide en er zoiets ontstond als een geldeconomie.

Franciscus’ optreden zal voor zijn tijdgenoten confronterend zijn geweest: hoe bestond het dat iemand geld en goed zo onbelangrijk vond? Ook wat dat betreft ligt de parallel met de nieuwe paus voor de hand. Wat moeten de graaiers in de financiële wereld en elders niet denken over een paus die alle luxe voor zichzelf van de hand wijst. Ontwrichtend moet het ook geweest zijn dat rijken en armen binnen Franciscus’ broederschap als gelijken met elkaar omgingen. Zijn vrouwelijke evenknie Clara van Assisi was van adel. Rijkdom en stand werden vérgaand gerelativeerd.

Waarschijnlijk op 14 september 1224 heeft Franciscus in zijn kluizenaarsoord een visioen van een aan het kruis genagelde serafijn. Vervuld met vreugde én droefheid mediteert Franciscus over wat hij te zien krijgt. Dan verschijnen er wonden op zijn handen en voeten en in zijn zij: een onderstreping van zijn extreme identificatie met de lijdende Christus. Naar verluidt is Franciscus de eerste gestigmatiseerde van het christendom. Velen zouden hem volgen. Ook daarin bracht Franciscus dus iets nieuws. Tegelijk bleef hij een loyaal zoon van de moederkerk. Hij was tegelijk vernieuwend en loyaal. Wellicht is dat ook waar de nieuwe paus naar streeft.

vrijdag 15 februari 2013

Conservatief


In de berichtgeving rond Benedictus XVI heb ik me nogal verwonderd over het woord ‘conservatief’, of preciezer gezegd: over het gebruik van dat woord. In een stukje van een paar honderd woorden op de website van NRC Handelsblad werden de paus en zijn standpunten maar liefst zes keer als conservatief aangeduid, bijvoorbeeld in een citaat van bisschop Muskens, die ooit gezegd moet hebben dat de paus ‘te intelligent’ is om ‘zeer conservatief’ te zijn. Als ik het artikel goed begrijp betoogt de auteur dat men in 2005 dacht dat Ratzinger conservatief was maar dat men hoopte dat hij als paus mee zou vallen, bemerkte men tussen 2005 en 2013 dat hij toch conservatief was en heeft men in 2013 derhalve de conclusie getrokken dat hij toch niet meeviel.

Dit geval staat niet op zichzelf. Een paar maanden geleden tikte een redacteur (niet van het ND) me op de vingers. Ik had de opvattingen van een schrijver weergegeven en daaruit bleek dat hij zich keerde tegen de verspilling van natuurlijke hulpbronnen, tegen de consumptiemaatschappij en tegen een wereld waarin macht en geld het winnen van liefde en geestelijke waarden. Op grond van deze en andere gegevens karakteriseerde ik de schrijver (het ging over Pieter Nouwen) als conservatief. Maar de redacteur vond de auteur eerder links dan rechts en dus leek het hem niet juist om hem conservatief te noemen. Alsof een conservatief voor verspilling is en voor de oppermacht van geld en geweld.

Op allerlei podia is meermaals uitgelegd dat een conservatief vooral het tegenovergestelde is van een revolutionair, dat een conservatief weliswaar niet alles maar toch ook wel eens iets wil veranderen en dat dan liefst in kleine stapjes doet, dat een conservatief van mening is dat er in allerlei premoderne ideeën en instituties veel goeds bewaard is en dat een conservatief geen socialist is maar ook geen liberaal – vergeefs: het wil kennelijk niet doordringen.

Wat wel diep is doorgedrongen: het idee dat alles in het algemeen en de kerk in het bijzonder met de tijd mee moeten gaan. Zoals in het NRC-stukje over de paus staat: de benoeming van Ratzinger in 2005 maakte duidelijk ‘dat de tijd voor radicale veranderingen in de rooms-katholieke kerk nog niet is aangebroken’. Het woordje ‘nog’ is hier cruciaal. De auteur weet kennelijk zeker dat er ooit een tijd van radicale veranderingen zal aanbreken, alleen is het nu nog even niet zo ver. Het ontgaat hem dat je sommige vormen van vooruitgang ook als achteruitgang kunt beschouwen, en dus snapt hij ook niet waarom niet iedereen wil meebewegen met de Heilige Tijd.

Het woord ‘conservatief’ heeft een duidelijke, neutrale, omschrijvende betekenis, maar het heeft een zo nadrukkelijk negatieve connotatie gekregen dat het haast niet meer in zijn gewone betekenis gebruikt kan worden. Als ik Benedictus XVI conservatief noem, denkt iedereen dat ik hem beoordeel, terwijl ik alleen een poging doe om hem te beschrijven.

Laat het duidelijk zijn: je kunt het toejuichen of verafschuwen dat iemand conservatief is. Maar voor het uiten van toejuiching of afschuw zou je niet het woord ‘conservatief’ moeten gebruiken.

vrijdag 3 augustus 2012

Helse stilte


De stilte is een weg die mensen tot God leidt, aldus de Engelse benedictijn Christopher Jamison. Jamison heeft een prominente plaats in het BBC-programma The Big Silence, dat onlangs in Nederland door de RKK werd uitgezonden en dat nog via Youtube te bekijken is. Vijf Britten met een hectisch leven doen een achtdaagse stilteretraite en moeten proberen om in hun dagelijks leven plaats in te ruimen voor stilte. Niet in de laatste plaats door de rol van Jamison en de geestelijk begeleiders van de deelnemers laat de serie de Rooms-Katholieke Kerk op haar best zien.

In de hectiek van alledag lijkt stilte wel eens als een wondermiddel beschouwd te worden: nu kom ik niet toe aan dit en aan dat, maar als ik tijd had om stil te zijn… De werkelijkheid is vaak minder rooskleurig. Dat was te zien in The Big Silence. Sommige deelnemers verveelden zich stierlijk: internet en telefoon waren verboden en ze mochten maar een gesprek per dag voeren, met hun geestelijk begeleider.

In de stilte gaat het spoken. Ten minste twee retraitegangers werden geplaagd door de gedachte aan gestorven geliefden. Anderen kwamen oog in oog te staan met het leven dat ze geleid hadden en met de keuzes die ze hadden gemaakt. Heilzaam, maar lang niet altijd aangenaam.

Misschien is veel van de hectiek die ons leven kenmerkt een strategie waarmee we de donkere kant van het bestaan op een afstand houden. Of misschien niet eens de donkere kant van het bestaan, maar gewoon wezenlijke vragen, die ons hoogsteigen leven raken. Pascal heeft daar indringend over geschreven. ‘Aangezien de mensen niet in staat waren de sterfelijkheid, ellende en onwetendheid te verhelpen, zijn ze op het idee gekomen gelukkig te worden door totaal niet aan die dingen te denken.’

Ik herinner me soortgelijke verhalen van monniken, die in de stilte van hun kloostercel aanvankelijk niet de hemel vonden, maar de hel. Geconfronteerd te worden met wat er in je hart omgaat, met wat er onder de laag beschaving en conventie allemaal broeit en gist, daar loopt een mens liever voor weg.

Toch is de uitspraak van Jamison waarmee dit stukje opent niet onwaar. Al was het maar omdat de diepte waarin we door de stilte kunnen worden gebracht een uitstekende plaats is om tot God te roepen. Bevindelijk gereformeerden weten daar alles van. Graag citeren ze Jesaja, waar God spreekt: ‘Ik woon bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is’.

Stilte blijkt uiteindelijk niet zozeer de afwezigheid van geluid te zijn als wel de toestand waarin iemand kan luisteren. De Engelse geestelijken zijn daar indrukwekkende voorbeelden van: mensen die kennelijk zoveel rust in zichzelf bezitten dat ze de stem van een ander werkelijk kunnen toelaten. Ook van het gebed wordt wel gezegd dat het zeker zoveel luisteren is als spreken. Als de ziel zo stil is dat ze luisteren kan, dan blijken we niet in een stom universum te leven, dan – aldus Guido Gezelle – ‘spreekt het al een taal dat leeft’. 

Stilte, zegt Jamison, kan ons maken tot de reinen van hart, die God zullen zien. Maar laat niemand denken dat die reinheid van hart een soort natuurlijk gegeven is. Wie stil wordt, komt daarachter. 

vrijdag 23 december 2011

Elckerlyc in 4 havo


Afgelopen weken lazen mijn beide 4 havoklassen Elckerlyc. Doorgaans namen we bij de middeleeuwen Karel ende Elegast door, maar na een jaar of wat wil je wel eens iets anders. Ik maakte een diapresentatie ter inleiding, we lazen het stuk in drie lessen, en daarna besteedden we wat tijd aan presentaties, om typisch rooms-katholieke aspecten van het stuk te verduidelijken. Leerlingen van mijn degelijke reformatorische school weten immers niet wat de biecht precies is, of het oliesel.

Natuurlijk hadden we de Middelnederlandse tekst voor ons. Als er gelezen én voorgelezen wordt, is dat zo moeilijk niet.

In Elckerlyc is God niet te spreken over de manier waarop de mensen leven. Daarom besluit Hij de Dood op Elckerlyc (= iedereen) af te sturen om hem ter verantwoording te roepen. Elckerlyc moet een pelgrimagie beginnen om rekeninghe te doen.

Vanuit het perspectief van de Dood zien we de nietsvermoedende Elckerlyc (‘Hoe luttel vermoet hi op mijn comen!’) en dan wordt hem de vraag gesteld waarheen hij zo fraai uitgedost op weg is. Hij mag in de jacht op werelds goed God dan wel vergeten zijn, maar dat betekent niet dat God hém uit het oog verloren is! Elckerlyc schrikt en doet nog wat pogingen om het onheil af te wenden, maar de Dood is onverbiddelijk: gaan moet hij, vandaag nog.

Graag wil Elckerlyc de Deugd meenemen op de tocht die hij moet gaan maken, maar die ligt ziek te bed en is op sterven na dood. Pas als Elckerlyc gebiecht heeft en boete gedaan, wordt Deugd weer gezond. Zij is ten slotte ook de enige die meegaat het graf in. Zo kan Elckerlyc voor God verschijnen.

53 zestienjarigen hebben dus Elckerlyc gelezen en nu liggen er dan evenzovele toetsen voor me. Wat heeft het ze gedaan, vraag ik me af, boven de stapels papier. Hun leven ligt er vast niet van overhoop, maar als ik me niet vergis zijn erbij die het op zijn minst verrassend vinden, om hun eigen leven te bekijken door de ogen van de Dood. Dat hoop je als docent natuurlijk ook, dat ze gaan nadenken over de vraag die het stuk opwerpt: wat helpt ons als we sterven moeten?

Tijdens de les had ik geen zin om ze voor te gaan kauwen dat Elckerlyc nogal rooms is. Dat zou, vreesde ik, verhinderen dat ze gewoon de tekst tot zich lieten spreken. Pas op de toets vroeg ik expliciet wat de belangrijkste wijziging zou zijn in een protestantse bewerking van het stuk (die overigens ook werkelijk bestaat). Tot mijn verrassing had maar een enkeling door dat de rol die Deugd in Elckerlyc heeft in het protestantisme aan Christus toekomt. Alsof ze niet allemaal regelmatig over vraag en antwoord 30 uit de Heidelbergse Catechismus horen preken. De meeste suggesties kwamen neer op het schrappen van de biecht, van de priester of van andere katholieke parafernalia. (Vooruit, toch één punt.)

Is dat gewone zestienjarigenoppervlakkigheid? Of raakt bij deze jongelieden de leer het leven (nog) niet? Daar lijkt het wel op. Zodra ze buiten de context van kerk en catechisatie stappen, nemen ze ideeën die reformatorisch gezien pertinente dwalingen zijn, voor zoete koek aan. Misschien moet ik ze dat dan toch maar voor gaan kauwen.

vrijdag 26 augustus 2011

‘Heb eerbied voor ons’

Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 26 augustus 2011.



Christenen uit de reformatorische traditie zijn meer geneigd om het over de nietswaardigheid van de mens te hebben dan over zijn waardigheid. Lees de klassieke reformatorische auteurs er maar op na. Natuurlijk zijn er bij Calvijn zinnetjes te vinden waarin hij de eervolle positie van de mens benadrukt, maar die liggen niet voor het oprapen. Hij beklemtoont liever onze verdorvenheid, om daar Gods ontferming tegenover te zetten. Vandaar dat het denken in termen van mensenrechten niet erg in het reformatorische denken over mens en wereld lijkt te passen.
Toch was het de protestantse filosoof Nicholas Wolterstorff die afgelopen zaterdag in het ND zei: ‘Onder mijn denken over gerechtigheid ligt de basale notie dat alles wat geschapen is, waarde heeft. En omdat we van waarde zijn, hebben we ook rechten.’ Wolterstorff vindt bijvoorbeeld dat mensen in een rijke samenleving als de VS recht hebben op fatsoenlijke gezondheidszorg.
De rooms-katholieke traditie heeft een minder gespannen verhouding met mensenrechten. Daar is een term als ‘menselijke waardigheid’ een kernbegrip. Thomas van Aquino biedt wat dat betreft dan ook meer aanknopingspunten dan Calvijn. De mens heeft volgens Thomas recht op het zijne, omdat hij door God als persoon geschapen is. Het is met zijn natuur gegeven dat er dingen zijn die hem toekomen.
Zelfs God heeft een soort eerbied voor ons, zegt Thomas, en hij citeert het apocriefe Boek der Wijsheid, waarin geschreven staat dat God ons regeert cum magna reverentia (met grote eerbied). Hoeveel te meer moet de ene mens eerbied hebben voor de andere.

In zijn autobiografische opstel ‘The Grace That Shaped My Life’ vertelt Wolterstorff over zijn jeugd in Minnesota. Zijn vader was een timmerman die eigenlijk kunstenaar had willen worden, zijn ooms waren boeren. De eerbied voor hout, voor land en dieren was daarmee gegeven. Ook liefde voor muziek en voor the life of the intellect was nadrukkelijk aanwezig in de familie. Wolterstorff vertelt: ‘In het tiende boek van de Belijdenissen stelt Augustinus zich de dingen in de wereld voor die tot hem zeggen: let niet op ons, keer je af, richt je op God. In plaats daarvan was mij geleerd om de dingen van de wereld te horen zeggen: heb eerbied voor ons; want God heeft ons gemaakt als een gift voor jou. Aanvaard ons in dankbaarheid.’
De eerbied voor de dingen, voor het geschapene, was bij Wolterstorff dus al vroeg een gegeven. Ik stel me voor dat hij die eerbied niet ervoer als een gratuit royaal gebaar van zichzelf, maar als iets wat paste bij de aard der dingen. Het was een verschúldigde eerbied.
En zo is het ook als het over mensen gaat: als zij rechten hebben, dan zijn we hun iets verschuldigd. Gerechtigheid is geen filantropie.

Overigens is de klassieke leer van de gerechtigheid niet gericht op de persoon die rechten heeft, maar op degene die andermans rechten dient te respecteren. Dat lijkt me een belangrijk verschil met het actuele mensenrechtendiscours.
Misschien maakt dat tevens het begrip ‘mensenrechten’ voor de Calvijnlezende christen wat lichter verteerbaar. Wij kunnen dan wel nergens aanspraak op maken, maar de mensen om ons heen wel.





vrijdag 1 juli 2011

De Bijbel aan de ketting

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 1 juli 2011

'Op de hogeschool in Erfurt had Maarten Luther op een dag een heel dik boek gevonden dat met een ketting aan de boekenplank vastzat. Hij had het uit de rij gehaald en opengeslagen en toen zag hij dat het een Bijbel was. Heel zijn leven had hij nog geen Bijbel in zijn handen gehad. Hij had het dikke boek opengeslagen en was beginnen te lezen. De Bijbel was wel geschreven in het Latijn, maar dat was voor Maarten Luther geen probleem. Hij las dat net zo gemakkelijk als Duits.'

Ziedaar: in de middeleeuwen lagen bijbels aan de ketting, liep je gerede kans om nooit een bijbel in handen te krijgen en als je er dan een te pakken kreeg, was het de Vulgaat.
Dit is een mythe, en naar het ND onlangs (21 juni) meldde, is zij doorgeprikt door C.C. de Bruin in de Cultuurgeschiedenis van het christendom, die verscheen rond 1950 en in protestants Nederland ruime ingang vond.
Inmiddels kunnen we weten dat de bijbel waarnaar Luther greep aan de ketting lag om hem voor diefstal te behoeden, dat middeleeuwse leken wél in de Bijbel lazen en dat er menige vertaling in de volkstaal bestond.

Maar deze mythe is taai. Het verhaalfragment dat dit stukje opent is een van de inzendingen bij een verhalenwedstrijd die het Reformatorisch Dagblad uitschreef voor Hervormingsdag 2010. In de publieke opinie leeft het oude beeld gewoon voort.
Misschien verklaart dat waarom Trouw en het Katholiek Nieuwsblad toch weer de Luthermythe als binnenkomer kozen, in berichtgeving over onderzoek van Sabrina Corbellini. Deze Italiaanse mediëviste kan, zo zegt ze in KN, aantonen dat leken in de middeleeuwen daadwerkelijk actieve gebruikers waren van religieuze literatuur. Ze schreven en discussieerden over theologische begrippen. De middeleeuwse kerk moedigde dit – aldus Corbellini – alleen maar aan. Bijbels in de volkstaal waren wijdverspreid, ook onder schoenmakers, kleermakers en kooplieden.

Heeft de rooms-katholieke kerk dan nooit moeite gehad met Bijbellezende leken? Op internet hebben papenhaters diverse pauselijke uitspraken gepubliceerd met een op het eerste gezicht nogal schrikwekkende inhoud. Paus A veroordeelde Bijbelgenootschappen, paus B vond dat de Bijbelvertalingen in de volkstaal meer schade dan voordeel hebben gebracht, paus C verbood het bezit van bijbels in de volkstaal helemaal. Katholieken zeggen dan weer dat die uitspraken betrekking hebben op Bijbeluitgaven die niet geapprobeerd waren, waarin de katholieke kerk werd aangevallen (in kanttekeningen?), of waarin de deuterocanonieke boeken niet waren afgedrukt.
Wat is waarheid? Het werkelijke verhaal zal genuanceerd zijn. Aan de ene kant waren er pauselijke verboden, deelverboden en bijna-verboden; aan de andere kant was er bloed dat kroop waar het niet gaan kon en waren er theologen die gedoogden wat verboden was.

Afgaande op wat Corbellini zegt, moeten we hierbij in elk geval niet denken aan de periode vóór de Reformatie. Blijkbaar kreeg Rome pas moeite met bijbels in de volkstaal toen de Reformatie haar successen had geboekt. De Luthermythe werd pas waar toen Luther niet meer leefde.

vrijdag 14 januari 2011

Die ene hoofdzonde


Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 14 januari 2011


Wie zijn de zondaars van dit moment? Ik geloof dat rooms-katholieke geestelijken, nu natuurlijk geflankeerd door Robert M., hoge ogen gooien. De verontwaardiging over hun wangedrag kent geen grenzen. Zelfs een op niets gebaseerd bericht over de paus, die er deze week voor gepleit zou hebben om kinderen christelijke voornamen te geven, is op internet  aanleiding om veelvuldig smadelijk te zinspelen op de misbruikschandalen: ‘He might want to care more about how those kids in the care of the RCC are being treated, hum?’ Als aartsbisschop Léonard iets aardigs zegt over aids (‘geen straf, hoogstens een soort immanente gerechtigheid’) krijgt hij heel Nederland en Vlaanderen over zich heen: hoe durft hij, en dan nog wel na alle affaires?

Gemakshalve vergeet men enkele feiten. Nog in de jaren ’90 vonden parlementariërs van D66, PvdA en GroenLinks dat het bezit van kleine hoeveelheden kinderporno niet strafbaar moest zijn. Ruurd Ubels citeerde in de ND-bijlage Het Katern (1 oktober 2010) een uitspraak van een arts in Ouders van nu: ‘Kan sexueel contact kwaad als daarbij geen pijn of letsel wordt aangedaan? Als men een kind mag strelen, waarom dan ook niet genitaal?’ We schrijven dan 1971.

Met de huidige fixatie op zondaars in sexualibus lijken eerdere eenzijdigheden te worden hernomen. Zo’n zeventig jaar geleden hield Dorothy Sayers (de detectiveschrijfster die ook Dantevertaler was) een lezing waarin ze er al over klaagde dat ‘onzedelijkheid’ een veel te smalle invulling kreeg. ‘Iemand kan hebzuchtig en egoïstisch zijn; wrokkig, wreed, jaloers en onrechtvaardig; gewelddadig en wreed; inhalig, gewetenloos en leugenachtig; koppig en arrogant; dom, gemelijk en gevoelloos voor elk edel instinct – en nog staan we klaar om van hem te zeggen dat hij niet onzedelijk is.’

Sayers haalt een student aan die in alle oprechtheid tegen haar zei: ‘Ik wist niet dat er zeven hoofdzonden waren: wilt u me de naam van de andere zes vertellen?’ De titel die Sayers aan haar lezing (later als essay gepubliceerd) gaf, was dan ook ‘The Other Six Deadly Sins’. Niet dat luxuria geen zonde was. Het probleem was juist dat iedereen het christelijke begrip zonde er zo ongeveer mee gelijkstelde. De andere zes hoofdzonden – maar dat weet de ND-lezer natuurlijk – zijn: toorn, gulzigheid, begeerte, afgunst, traagheid en hoogmoed. Juist in de analyses van die andere hoofdzonden levert Sayers scherpe en inzichtgevende kritiek op de moderne wereld.

De traditionele christelijke moraal verbloemt of vergoelijkt  de zonden van de paters en fraters niet – integendeel: homoseksualiteit was altijd nog iets anders dan overspel, en voor seksuele contacten met kinderen bestond naar ik aanneem nog minder begrip. Wel helpt de indeling in zeven hoofdzonden om de ogen open te houden voor allerlei andere soorten zonde, die het leven evenzeer bederven als de wellust. Daardoor blijft ons beeld van de maatschappij wat realistischer: misbruik door geestelijken is een schande - maar er zijn meer en subtielere ondermijnende krachten, des te gevaarlijker naarmate ze respectabeler ogen. Wie een hedendaags equivalent van begeerte, traagheid en hoogmoed invult, ziet wat ik bedoel. Of zijn economische groei, entertainment en zelfbeschikking iets van het verleden?