Posts tonen met het label middeleeuwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label middeleeuwen. Alle posts tonen

zaterdag 9 november 2013

Heerlijke koude wereld

Column voor het Reformatorisch Dagblad (9 november 2013)

Een beetje mythologie helpt soms om de wereld te begrijpen. Neem het verhaal over Midas, de mythische koning over wie Ovidius vertelt. Hij wenst dat alles wat hij aanraakt in goud zal veranderen. Zulks geschiedt. Midas is de koning te rijk, ‘verheugd om eigen nadeel’ zoals Ovidius schrijft. Pas wanneer hij merkt dat ook zijn brood, zijn vlees en zijn wijn in goud veranderen, komt Midas tot inzicht. ‘Even rijk als arm wil hij geen nieuwe rijkdom meer.’ (De lezer van De reis van het drakenschip van C.S. Lewis zal zich een toespeling op het verhaal over Midas herinneren: de episode op Doodswatereiland.) Met ‘geld maakt niet gelukkig’ is de strekking van het verhaal natuurlijk niet adequaat weergegeven. Het punt is veeleer dat onze begeerte de wereld onherstelbaar verbetert.

Ik kwam de verwijzing naar Midas tegen in de inleiding van C.S. Lewis’ lijvige bijdrage aan de Oxford History of English Literature (1954). Lewis schrijft daar over de opkomst van de moderne natuurwetenschap in de zestiende eeuw. Met de nieuwe astronomie kwam er volgens Lewis een nieuwe opvatting van de werkelijkheid in zwang. De moderne wetenschappelijke methode leidde tot grootse ontdekkingen, maar vervreemdde de mens van de wereld om hem heen. Door het gebruik van de wiskunde gaf de wetenschap ons de werkelijkheid in handen – maar slechts nadat ze die terdege had ontzield. ‘Met zijn nieuwe macht werd de mens rijk als Midas, maar alles wat hij aanraakte was dood en koud geworden.’ Ik moet wel eens aan Midas denken als ik op het Nederlandse platteland rondkijk: het is productief tot en met, maar zo steriel als een ziekenhuislaboratorium.

Met de de opkomst van de nieuwe wetenschap verdween wat Lewis noemt ‘the mythical imagination’. Het oude universum was, zegt Lewis, geen machine maar ‘a festival’, waarin de sterren dansten. Voor ons zou zoiets hoogstens een vergelijking kunnen zijn, waarbij we ons er steeds van bewust zijn dat we alleen maar een kunstgreep uithalen – het is immers iets doods (menen we) dat we voor de aardigheid met iets levends vergelijken. Door de romantici, die zwolgen in natuurlyriek, werd de kloof tussen onszelf en de ‘dode’ buitenwereld pijnlijk gevoeld, en meer recent ook door bomenfluisteraars en andere lieden die zich hun heil zoeken in halfocculte meligheid.

Koning Midas stapte ten einde raad op de god Bacchus af en die schreef hem genadiglijk voor om zich te wassen in de bron van de rivier de Pactolus. De betovering was verbroken. Midas kon zich weer tegoed doen aan brood en vlees en wijn. Is er iemand die ons de weg naar de Pactolus kan wijzen?

vrijdag 15 maart 2013

Onze Wycliff


Een opmerkelijke grootheid in Wereld in woorden, het nieuwe en prachtige boek van Frits van Oostrom over de Nederlandse literatuur in de veertiende eeuw, is de zogenaamde Bijbelvertaler van 1360, een auteur voor wie Van Oostrom maar liefst dertig bladzijden uittrekt (op ruwweg 500 bladzijden tekst). Diens oeuvre bevat een kleine twee miljoen woorden en de vijftien teksten die hij vertaalde waren alle klassiekers van de kerk – niet in de laatste plaats de Heilige Schrift zelf.

De Bijbelvertaler, van wie sommigen menen dat hij Petrus Naghel heette, maar die door Van Oostrom graag in de kloosterlijke anonimiteit wordt gelaten, was een kartuizer uit de abdij van Herne, in de nabijheid van Brussel. Tussen 1350 en 1390 zat hij in de eenzame stilte van zijn kloostercel te werken aan een immens vertaaloeuvre.

Hij vertaalde de Bijbel bijna in zijn geheel vanuit het Latijn in de volkstaal. Slechts de brieven uit het Nieuwe Testament en de Openbaring liet hij links liggen. We hebben het dus over de veertiende eeuw, anderhalve eeuw voor de reformatie van Luther – het lijkt niet overdreven om hier over het Nederlandse equivalent van de Wycliffbijbel te spreken, met dit verschil dat onze kartuizer met een eenmansproject bezig was.

Opmerkelijk aan zijn onderneming is niet zozeer dat er delen van de Bijbel in de volkstaal beschikbaar kwamen, maar vooral dat hij zich ook waagde aan exegetisch moeilijke boeken als het Hooglied en de profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiël. De lezer zou ze licht verkeerd kunnen opvatten. Ze werden dan ook ruim van glossen (verklarende aantekeningen) en waarschuwende prologen voorzien.

En toch: hij deed het, ook al wist hij dat er geleerde liede zouden zijn die zijn werk zouden becnaghen. Het was zijn talent en dat wilde hij niet begraven. Bovendien was er de sterke aandrang van enkele Brusselse burgers, zoals de patriciër Jan Taye en de bankier Lodewijk Thonijs.

Van Oostrom, die de Bijbelvertaler van 1360 met het grootste respect benadert, noemt hem de ‘Dietse Hieronymus’ en – de kans op een fraaie paradox laat hij niet graag liggen – ‘de meest woordenrijke zwijger uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis’. Hij wist de Bijbel in de volkstaal bij leken en bij nonnen te brengen, en later, ten tijde van de Moderne Devotie, kreeg zijn werk een ruime verspreiding – om uiteindelijk terecht te komen in de Delftse Bijbel van 1477: het eerste gedrukte boek in het Nederlands.

De Heilige Schrift in de volkstaal en in lekenhanden: niet iedereen was er gelukkig mee. Betekende een vertaling niet per definitie een corruptie van de tekst van de heilige Vulgaat? Gaven de leken er niet hun eigen ongewijde draai aan? Door zijn orde werd de vertaler blijkbaar niets in de weg gelegd en wie zijn critici waren blijft onduidelijk.

Hoe dan ook: hij is een auteur van formaat geweest, een dienstbaar mens ook, die het verdient dat er, net als naar zijn Engelse collega, een organisatie voor Bijbelvertaling naar hem wordt genoemd. Maar daarvoor zou het (n’en déplaise Van Oostrom) toch wel handig zijn als we zijn naam met zekerheid kenden. 

vrijdag 26 oktober 2012

Schaakstukken met shellshock


Als ze niet zulke uitpuilende ogen had, zou je je kunnen voorstellen dat de koningin in aandachtige overpeinzing is verzonken. Ze zit iets voorover op haar troon, haar kin steunt op haar rechterhand, de rechterelleboog is in de linkerhand gevat. Maar haar ogen, die moeten wel iets vreselijks zien, of gezien hebben. Een bloedbad, een slachtpartij?

Het is goed mogelijk, want deze vorstin maakt deel uit van een oorlogsspel. Ze is een van de koninginnen die horen bij de Lewis Chessmen, een partij schaakstukken uit de twaalfde eeuw die in 1831 op het Schotse eiland Lewis werd gevonden. Men vermoedt dat ze in Noorwegen zijn gemaakt en dat ze zijn begraven door een handelaar die op weg was naar Ierland.

Toen ik vorige week het British Museum bezocht, besloot ik wat tijd uit te trekken om deze figuurtjes, gemaakt van de slagtanden van walrussen, aandachtig te bekijken. Ze zijn goed herkenbaar als koning, ridder (paard) of bisschop (loper), maar ook stuk voor stuk verschillend en voorzien van prachtige details.

De Lewis Chessmen weerspiegelen de wereld waarin ze werden gebruikt. Men zegt bijvoorbeeld dat de koningin is gemodelleerd naar Maria die rouwt over haar dode Zoon.  In oudere versies van het schaakspel uit India en het Midden-Oosten is er helemaal geen koningin; daar wordt de koning geflankeerd door zijn vizier, een mannelijke raadgever. Waarschijnlijk traden de Europese vorstinnen meer op de voorgrond dan hun Arabische collega’s, wat de introductie van de koningin op het schaakbord zou kunnen verklaren.

In de islamitische wereld was er in het geheel geen sprake van herkenbare figuren op het bord: mensen en dieren mochten niet worden afgebeeld en daarom zijn de stukken in hoge mate abstract. In de pionnen van de Lewis Chessmen is die traditie gehandhaafd. Het zijn zuiltjes of een soort minigrafstenen zonder menselijke trekken en je denkt: zag men het voetvolk in 1200 als een anonieme massa?

Bisschoppen hadden destijds niet alleen geestelijke, maar ook militaire macht en dat verklaart hún aanwezigheid op het oorlogsveld; ze vervangen de bereden olifanten uit India. De bisschoppen van de Lewis Chessmen houden allemaal netjes hun staf omklemd, en dragen hun mijter met waardigheid – de vorm ervan is nog altijd terug te zien in de moderne loper.
Ietwat sinister zijn de berserkers, die de positie van de torens innemen. Het zijn bekende figuren uit de Scandinavische literatuur, vechters gehuld in een berenhuid die zich in een toestand van (wellicht door hallucinogene middelen opgewekte) oorlogstrance bevinden. De Noorse kunstenaar heeft van hen figuren gemaakt die met grote tanden in hun schild staan te bijten.

Het is fraai om te zien hoe de maatschappij en de vormgeving van een schaakspel samenhangen. Maar die uitpuilende ogen - ik hoorde een schrijver zeggen dat de personages een shellshock lijken te hebben. Laten we het houden op ontzetting over wat zich op het slagveld afspeelt. ‘Chess is war on a board,’ sprak de schaker Bobby Fischer ooit. De Lewis Chessmen zelf lijken er weinig plezier aan te beleven.

vrijdag 12 oktober 2012

Godsbewijs in de kou


Wie geïnteresseerd is in filosofie heeft het godsbewijs van Anselmus waarschijnlijk wel eens zien passeren. Als God het hoogst denkbare is, zegt Anselmus, dan moet Hij wel bestaan. Want als we het hoogst denkbare alleen maar dénken, is het niet het hoogst denkbare; dan kunnen we ons immers iets nog hogers voorstellen: een in de realiteit bestaand hoogst denkbare. Derhalve moet het hoogst denkbare – God – wel bestaan.

Menig theoloog heeft deze redenering misprijzend bekeken. Is Anselmus niet bezig om de ratio een zelfstandige plek te geven los van de H. Schrift? Het menselijk verstand was toch bedoeld om het geloof te dienen, en niet om op eigen benen te gaan staan?

Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Kok een nieuwe vertaling van Anselmus’ Proslogion, het geschriftje uit het jaar 1078 waarin zijn beroemde redenering is vervat. De vertaling is van de hand van Vincent Hunink, de Simon Vestdijk onder onze latinisten. Over Anselmus’ argumentatie schrijft Hunink in zijn nawoord merkwaardig genoeg nogal achteloos. Volgens hem is het Proslogion filosofisch gesproken niet meer actueel of dwingend; van godsbewijzen zouden hedendaagse denkers niet meer willen weten.

Dat laatste is beslist aanvechtbaar. Nog afgelopen september stond er in het Nederlands Dagblad een interview met Emanuel Rutten, een filosoof die promoveerde op een studie over godsbewijzen en die trouwens zelf een nieuw argument had bedacht. Denkers als Alvin Plantinga en Richard Swinburne, en op zijn manier ook Herman Philipse – filosofen die toch een zekere vermaardheid genieten – houden zich wel degelijk serieus met godsbewijzen bezig. Huninks achteloosheid ademt een typisch moderne arrogantie. Alsof we Anselmus’ manier van denken zijn ontgroeid – het perspectief waarin middeleeuwers bij voorkeur als kleine kinderen worden neergezet.

Het is verrassend om te zien dat Anselmus’ bewijs in het Proslogion in de context staat van een warm gebed: Wat ik verlang is dit, Uw waarheid enigszins te begrijpen, Uw waarheid waar mijn hart in gelooft en van houdt. Ik zoek namelijk geen begrip om te kunnen geloven maar ik geloof om te kunnen begrijpen. Anselmus was wel degelijk een vrome christen die zijn uitgangspunt nam in de waarheid van het geloof. Die waarheid wilde hij doordenken en daarom bad hij om begrip. Fides quaerens intellectum.

De zoektocht naar zijn argument beschrijft Anselmus als een ware queeste. Toen hij na veel getob het hoofd in de schoot wilde leggen, gewerd hem in een ogenblik van verlichting zijn beroemde bewijs. Hij schrijft na zijn bewijsvoering: Dank U, goede Heer, dank U! Wat ik eerst geloofde door Uw gave, begrijp ik nu ook door Uw verlichting. Als ik al niet zou willen geloven dat U bestaat, dan zou het mij toch onmogelijk zijn om niet te begrijpen dat U bestaat.

Er is geen sprake van dat hij het geloof opzij schuift om er de rede voor in de plaats te stellen. Hoogstens – en daar hebben de bezwaarden misschien een punt – zet hij in de laatstgeciteerde woorden de deur op een kier. Het waren latere denkers die hem open gooiden, en zo kwam dat arme argument in de kou te staan.

Postscriptum
Ik besef dat ik Anselmus' bewijs niet geheel juist heb weergegeven. Hij schrijft namelijk niet over het hoogst denkbare maar over datgene waarboven niet hogers gedacht kan worden. Als  God het hoogst denkbare was, dan zouden we hem mentaal kunnen 'bevatten' - voor Anselmus een absurditeit. Hij geeft daarom een om zo te zeggen negatieve definitie, waarin gezegd wordt wat God niet is: als we aan iets denken waarboven iets hogers gedacht kan worden, dan is dat iets in elk geval niet God. Ik heb de vereenvoudigde versie van het bewijs overgenomen uit Huninks vertaling, die op zeker moment (p. 53) echter ernstig onbegrijpelijk wordt, juist door deze in feite onjuiste vertaling van Anselmus' bewijs. Anselmus' uiterst nauwkeurige formulering verdraagt zich moeizaam met de beknopte omvang van een stukje uit de krant.

vrijdag 13 april 2012

Oceaan of kathedraal


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 13 april 2012.

Bladerend door de Pensées trof me weer de moderniteit van Blaise Pascal. Over de omvang van het heelal wist Pascal minder dan wij, maar desondanks vond hij de gedachte aan de grootte van het universum beangstigend. Le silence éternel de ces espaces infinis m’effraie – de eeuwige stilte van deze oneindige ruimtes maakt me bang. Hij schrijft over een ‘zwijgend heelal’ en over de mens die ‘zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten’. Dit is taal die we herkennen en die we na kunnen voelen, die misschien inmiddels zelfs tot cliché geworden is. [opmerking 1/9/15: De meeste Pascalkenners lijken van mening te zijn dat deze gedachte van Pascal door hem in de mond wordt gelegd van een van de libertins tot wie hij zich richt. Een al te autobiografische opvatting ervan zou dus onjuist zijn.]

Het moderne beeld van het heelal ziet er, voor zover ik weet, als volgt uit. We leven op een planeet die samen met zeven andere planeten om de zon cirkelt. Ons zonnestelsel is een van de vele in een onvoorstelbaar groot sterrenstelsel: de Melkweg. Van zulke sterrenstelsels zijn er naar schatting een paar honderd miljard. En dat zeilt allemaal door de leegte van een ‘oneindig maar begrensd’ heelal.

Hoe zag iemand vóór Pascal de ruimte dan? In elk geval rekende hij met andere feiten. De ruimte was eindig. In het oude wereldbeeld stond de aarde in het centrum van de kosmos, met een zevental planetaire sferen eromheen en vervolgens de sfeer van de vaste sterren. Het was een zeer geordend geheel, zeker niet oneindig, maar ook bepaald niet klein. In een middeleeuws Engels boek staat dat je, om de buitenste sfeer te bereiken, meer dan achtduizend jaar moet reizen bij een afstand van ruim veertig mijl per dag. 186.880.000 kilometer dus (ervan uitgaande dat een middeleeuwse mijl 1,6 km was) en dan ben je er nog niet. Maar, en daar gaat het om, er bestond een solide grens.

En eeuwige stilte? Middeleeuwers wisten wel beter. Als elke planeet zijn eigen sfeer heeft, en elke sfeer met een bepaalde snelheid om de aarde wentelt, dan ontstaat er zoiets als een kosmische samenklank. Hemelse muziek, die een toonbeeld is van de volmaaktheid van de bovenmaanse wereld. Weliswaar dacht niet iedereen dat dit hemelse akkoord werkelijk hoorbaar was, maar met een eeuwige stilte heeft deze muziek der sferen weinig te maken.

C.S. Lewis heeft in enkele beelden het verschil tussen de nieuwe en de oude blik op de kosmos navoelbaar gemaakt. In The Discarded Image schrijft hij dat een middeleeuwer die ’s nachts naar boven keek het gevoel had zich in een enorme kathedraal te bevinden, terwijl moderne mensen het idee hebbendat ze uitkijken over een oeverloze zee die zich tot in oneindige verten uitstrekt. Ons universum is romantisch, huiveringwekkend, beangstigend; dan van de middeleeuwers was klassiek, imponerend, maar in de diepste zin van het woord in orde.

Het kan zijn dat het wij-zijdenken van dit stukje niet helemaal terecht is. Misschien zijn er bij christenen anno 2012 – dankzij het scheppingsgeloof – nog resten van het ‘klassieke’ beeld aanwezig. Welke gedachten spoken door hun hoofd als ze op een heldere avond naar Venus, Jupiter of Mars staan te kijken, naar Cassiopeia, Orion of de Tweelingen en als ze dan bedenken wat daar voorbij is, en daar weer voorbij, en zo ad infinitum?

vrijdag 3 februari 2012

De wereld wankelt niet


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 3 februari 2012.

De spanning tussen natuurwetenschap en christelijke theologie is niet van vandaag of gisteren. In Gods filosofen van James Hannam, een fraai boek dat de ondertitel draagt Hoe in de middeleeuwen de basis werd gelegd voor de moderne wetenschap (2010), kwam ik het voorbeeld tegen van Nicolaas van Oresme, een theoloog-filosoof-natuurwetenschapper uit de veertiende eeuw.

Een van de problemen waar Oresme zich mee bezig hield was de vraag of de hemelsferen om de aarde draaien of dat het juist de aarde is die draait, terwijl de hemel stilstaat. De eerste opvatting was traditioneel en algemeen aanvaard, de tweede revolutionair en ongehoord.

Elke middeleeuwer met een beetje opleiding wist dat de aarde een bol was en geen pannenkoek, en dat de omvang van de aarde miniem was in vergelijking met de haar omringende kosmos. Maar hij dacht dus ook dat de aarde onbeweeglijk in het centrum van het heelal stond – een opvatting die zowel vanuit de dagelijkse ervaring als vanuit de destijds gangbare wetenschappelijke theorieën nogal voor de hand ligt.

Oresme stelde vast dat eigenlijk niet te bepalen is of de aarde draait of stilstaat. Vergelijk het met de verwarrende ervaring van een treinreiziger die zich afvraagt of het zíjn trein is die rijdt of de trein op het spoor naast hem: er is een derde, vast punt nodig om dat te kunnen bepalen.

Beide opvattingen werden door Oresme onderzocht en hij nam de nieuwe hypothese volledig serieus. Hij wist natuurlijk dat de zon in de Bijbel heet op te komen en onder te gaan, maar hij was wijs genoeg, evenals generaties theologen voor hem, om te beseffen dat zulke passages gebaseerd zijn op het normale taalgebruik van het volk. Ze hoeven niet naar de letter te worden opgevat.

Met een eenvoudig beroep op het taalgebruik in de Schrift was Oresmes probleem dus niet opgelost. Ook rede en ervaring vermochten geen uitsluitsel te geven. Toen pakte hij er toch maar weer zijn Bijbel bij en hij stuitte op het eerste vers van psalm 93, waar hij las dat de wereld zo ingericht is ‘dat ze niet kan worden bewogen’. Toen moest hij wel de conclusie trekken dat de oude opvatting de juiste was. Niet bewegen is niet draaien.

Hannam, die in zijn boek overigens voortdurend de negatieve beeldvorming van de middeleeuwse Kerk corrigeert, geeft droogjes commentaar op Oresmes conclusie: ‘Hij had, als hij een goede reden had gehad om te denken dat de aarde wel degelijk bewoog, gemakkelijk zijn redeneervermogen kunnen gebruiken om ook dit vers aan te pakken.’

Die goede redenen lagen een paar eeuwen later wel voor het grijpen, toen Copernicus’ werk de ronde deed. Maar een gereformeerd predikant als Jacobus Revius achtte in de zeventiende eeuw de opvattingen van Copernicus strijdig met het gezond verstand en met de Schrift. Ik weet niet of Oresme dat met Revius eens geweest zou zijn. Zijn verstand, dat gezond genoeg was, zou in elk geval geen probleem hebben gehad met Copernicus’ ideeën. Zou hij wel hebben vastgehouden aan zijn beroep op psalm 93? Of zou hij hebben geaccepteerd dat nieuwe kennis van de wereld soms moet leiden tot een nieuwe exegese van de Heilige Schrift?

vrijdag 1 juli 2011

De Bijbel aan de ketting

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 1 juli 2011

'Op de hogeschool in Erfurt had Maarten Luther op een dag een heel dik boek gevonden dat met een ketting aan de boekenplank vastzat. Hij had het uit de rij gehaald en opengeslagen en toen zag hij dat het een Bijbel was. Heel zijn leven had hij nog geen Bijbel in zijn handen gehad. Hij had het dikke boek opengeslagen en was beginnen te lezen. De Bijbel was wel geschreven in het Latijn, maar dat was voor Maarten Luther geen probleem. Hij las dat net zo gemakkelijk als Duits.'

Ziedaar: in de middeleeuwen lagen bijbels aan de ketting, liep je gerede kans om nooit een bijbel in handen te krijgen en als je er dan een te pakken kreeg, was het de Vulgaat.
Dit is een mythe, en naar het ND onlangs (21 juni) meldde, is zij doorgeprikt door C.C. de Bruin in de Cultuurgeschiedenis van het christendom, die verscheen rond 1950 en in protestants Nederland ruime ingang vond.
Inmiddels kunnen we weten dat de bijbel waarnaar Luther greep aan de ketting lag om hem voor diefstal te behoeden, dat middeleeuwse leken wél in de Bijbel lazen en dat er menige vertaling in de volkstaal bestond.

Maar deze mythe is taai. Het verhaalfragment dat dit stukje opent is een van de inzendingen bij een verhalenwedstrijd die het Reformatorisch Dagblad uitschreef voor Hervormingsdag 2010. In de publieke opinie leeft het oude beeld gewoon voort.
Misschien verklaart dat waarom Trouw en het Katholiek Nieuwsblad toch weer de Luthermythe als binnenkomer kozen, in berichtgeving over onderzoek van Sabrina Corbellini. Deze Italiaanse mediëviste kan, zo zegt ze in KN, aantonen dat leken in de middeleeuwen daadwerkelijk actieve gebruikers waren van religieuze literatuur. Ze schreven en discussieerden over theologische begrippen. De middeleeuwse kerk moedigde dit – aldus Corbellini – alleen maar aan. Bijbels in de volkstaal waren wijdverspreid, ook onder schoenmakers, kleermakers en kooplieden.

Heeft de rooms-katholieke kerk dan nooit moeite gehad met Bijbellezende leken? Op internet hebben papenhaters diverse pauselijke uitspraken gepubliceerd met een op het eerste gezicht nogal schrikwekkende inhoud. Paus A veroordeelde Bijbelgenootschappen, paus B vond dat de Bijbelvertalingen in de volkstaal meer schade dan voordeel hebben gebracht, paus C verbood het bezit van bijbels in de volkstaal helemaal. Katholieken zeggen dan weer dat die uitspraken betrekking hebben op Bijbeluitgaven die niet geapprobeerd waren, waarin de katholieke kerk werd aangevallen (in kanttekeningen?), of waarin de deuterocanonieke boeken niet waren afgedrukt.
Wat is waarheid? Het werkelijke verhaal zal genuanceerd zijn. Aan de ene kant waren er pauselijke verboden, deelverboden en bijna-verboden; aan de andere kant was er bloed dat kroop waar het niet gaan kon en waren er theologen die gedoogden wat verboden was.

Afgaande op wat Corbellini zegt, moeten we hierbij in elk geval niet denken aan de periode vóór de Reformatie. Blijkbaar kreeg Rome pas moeite met bijbels in de volkstaal toen de Reformatie haar successen had geboekt. De Luthermythe werd pas waar toen Luther niet meer leefde.