Posts tonen met het label wereldbeeld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wereldbeeld. Alle posts tonen

vrijdag 18 januari 2013

Kosmisch gezelschap


De sterren lieten zich weer eens zien de afgelopen week. Met een muts op, een sjaal om en voorzien van een verrekijker stond ik de ruimte in te kijken. Sirius, Capella, Aldebaran: alleen al om de sterrennamen zou je astronoom willen worden.

Jupiter staat nu in het sterrenbeeld Stier en iets links daarvan staat Orion met de roodachtige ster Betelgeuze. En zoals dat gaat, als je weer binnenshuis bent sla je er eens een gidsje op na en dan blijkt die ster een rode superreus te zijn. De opgave van de afmetingen varieert nogal – in elk geval honderden malen de omvang van de zon.

Dan ga je weer naar buiten, je kijkt nog een keer en je bedenkt hoe ver het wel was en hoe groot. Maar veel wijzer ben je niet geworden. De feiten helpen je verbeelding niet verder. Je kunt proberen je voor te stellen hoe groot de aarde is, je kunt proberen je voor te stellen dat de zon ruim honderd zo groot is, je kunt proberen om dat dan nog eens met zevenhonderdvijftig te vermenigvuldigen. Maar het is onbegonnen werk, het gaat alle voorstelling te boven.

Misschien dat verhalen wel werken. Orion is in de mythologie een door Artemis gedode jager, die tot sterrenbeeld werd verheven. De oude Grieken, in elk geval de ontwikkelden onder hen, zullen vast niet geloofd hebben dat het werkelijk de reusachtige jager Orion was die zich in winternachten aan de hemel vertoonde. Door zo’n verhaal te verbinden aan de sterrenhemel doe je een poging om vat te krijgen op het onbevattelijke. Rigel is de linkervoet, Betelgeuze staat in de rechteroksel, en de niet te missen drie sterren op rij vormen Orions gordel.

Zo vermeldt de Bijbel Orion ook. In Job 38 vraagt God aan Job of hij de ketenen van Orion kan losmaken. Dat is blijkbaar een verwijzing naar de gordel, die door de schrijver van het boek Job opgevat wordt als een keten waarmee de jager aan de hemel gebonden is. De kanttekening in de NBG-vertaling bij Job 9:9, een tekst waarin Orion ook genoemd wordt, vermeldt dat het Hebreeuwse woord voor Orion ‘dwaas’ betekent: Orion was een reus die de dwaasheid had gehad om tegen God in opstand te komen en daarom was hij met een gordel aan de hemel vastgebonden.

Kijk je voorzien van deze kennis nog een keer de lucht in, dan kun je je in elk geval iets voorstellen bij wat je ziet. De mythologie doet precies het omgekeerde van de wetenschap: ze voedt de verbeelding, maar heeft over de feiten niets te melden.

In Het rode paard, de dikke roman van Eugenio Corti, zegt een van de personages tegen een vriend dat de sterren hen gezelschap zouden houden als ze de kennis van de sterrenbeelden nog zouden bezitten. Hij verblijft tijdens de Tweede Wereldoorlog langdurig op de Russische steppen, dus hij heeft alle kans om naar de sterren te kijken én veel behoefte aan gezelschap.

Met deze opmerking slaat Corti de spijker op de kop. Orion, de Tweelingen, de Plejaden: ze zijn het kosmische gezelschap van de mensheid. De mythologische verhalen geven het heelal iets huiselijks. Dat is welkom, bij alle huiver die een mens bij de onbevattelijke feiten kan bevangen.

vrijdag 9 november 2012

Toonders Kleine Volkje


C. Buddingh’ wond er in 1968 geen doekjes om: hij vond dat Marten Toonder schreef ‘als een engel’ en dat iedere aankomende schrijver het oeuvre van Toonder diende te bestuderen. De opmerking over die engel is nogal fors uitgevallen, maar dat Marten Toonder een van de beste Nederlandse schrijvers van de vorige eeuw is, staat ook voor mij vast. Het is daarom een goede zaak dat er nu een biografie van Toonder ligt, geschreven door Wim Hazeu.

Door de recensenten wordt Hazeu aangewreven dat hij te weinig tot een eigen visie op Toonder komt, maar wat mij betreft rijst er uit zijn tekst toch een behoorlijk scherp omlijnd beeld van Toonder op – al is het zo dat Hazeu de lezer over het algemeen zelf zijn conclusies laat trekken.

Een van de interessantste trekjes van Toonder is zijn volstrekt amoderne belangstelling voor het bovennatuurlijke. In interviews kon hij, om maar iets te noemen, serieus vertellen over een geheimzinnig meisje dat in Ierland voor hem uit liep en dat, toen ze zich omdraaide, een oeroud gezicht bleek te hebben: het was een van de faeries waar Ierland rijk aan is. Hazeu schrijft: ‘Marten hield van geesten, spoken en geheimzinnige gebeurtenissen. Hij zocht er geen verklaringen voor; de analyse zou alles maar kapotmaken.’

Natuurlijk bevat de biografie een aantal voorbeelden van Toonders spookverhalen. Zo ging in zijn Ierse woning – een huis uit 1880 met muren van 35 centimeter dik – de haard een keer vanzelf branden. En er waren pooka’s, wegschietende schaduwachtige dingen over de vloer. Toonder geloofde in de verschijnselen zoals ze zich aan hem voordeden. Hij hield van Tolkien en van Yeats.

In een brief schrijft hij over het volk van de Danaans, dat omstreeks 500 voor Christus verslagen werd door de Kelten. Ze gingen ondergronds en daar bleven ze ook na de kerstening. Daar zat volgens hem de kracht van Ierland: ‘De echte Eirins wonen onder grond en maken daar de wetten waar wij, gewone stervelingen, geen weet van hebben.’ Onttovering, daar deed Toonder niet aan.

Je zou verwachten dat een man die zo sensitief was voor de hem omringende natuur blij was met een werkkamer die uitzicht bood over de Ierse zee. Maar nee: ‘Ik werk het best in een afgesloten ruimte. Hoewel mijn werkkamer uitzicht heeft op het water, kijk ik nauwelijks naar buiten. Ik moet juist naar binnen kijken.’

Dat rijmt met een andere, indrukwekkende uitspraak van Toonder. Waarom hij zich niet in het lege westen van Ierland vestigde? Daar waren de natuurkrachten te sterk voor hem, daar kon hij niet werken. ‘Alles wat je doet lijkt zinloos, je verscheurt je werk en gaat naar buiten zitten kijken.’

Toonder merkte blijkbaar dat hij zo in het krachtenveld van de natuur kon komen te staan dat zijn werk er volkomen futiel door werd. Hij had ze nodig, de Shee, de Danaans, de good folk, de landschappen, de luchten en de wind die hij in zijn werk beschreef, maar ze hadden zijn creativiteit ook kunnen verzwelgen. Zover liet hij het gelukkig niet komen. Anders hadden wij niet van Kwetal en het Donkere Bomen Bos geweten.

vrijdag 25 mei 2012

Nedergedaald ten hemel?


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 25 mei 2012.

Niet weinig christenen zijn verlegen met Hemelvaart, zo viel onlangs in deze krant te lezen. Ze vragen zich af waar Jezus heen ging, als Hij werkelijk een fysiek lichaam had. In het Markusevangelie staat dat Hij opgenomen werd in de hemel en plaats nam aan Gods rechterhand. Is dat te rijmen met het wereldbeeld dat we er tegenwoordig op na houden? Is de hemel wel een plaats, en waar is hij dan te localiseren? De meeste christenen geloven waarschijnlijk niet meer in een hemel ergens daarboven. Of stellen ze zich de hemel voor als een plaats buiten het heelal?

In de week waarin het ND berichtte over deze verlegenheid kwam mij het pasverschenen proefschrift van Enny de Bruijn over Jacobus Revius in handen – en laat het daarin nu ook over Hemelvaart gaan.

Revius was een fel tegenstander van de copernicaanse nieuwlichterij (we schrijven de jaren-1640); hij hield vast aan het oude wereldbeeld en bleef geloven dat de aarde in het middelpunt van het heelal staat.

Als de zon in het centrum van het heelal staat en de discipelen zagen Jezus bewegen in de richting van de zon, dan zouden we – aldus Revius - moeten zeggen dat Jezus niet opgevaren is naar de hemel maar afgedaald. En als de hel de plaats is die het verst verwijderd is van de hemel, dan moet de hel door de copernicanen wel in de zon gesitueerd worden. Beide beweringen achtte Revius absurd. Het copernicaanse systeem was strijdig met het gezond verstand en de Schrift, en het zou een revolutie in de geloofsleer betekenen.

Natuurlijk werd ook in Revius’ tijd de accommodatietheorie gebruikt – God zou zich in zijn spreken aanpassen aan het menselijke bevattingsvermogen – maar volgens Revius kon deze theorie nooit betekenen dat er feitelijke onwaarheden in de Bijbel staan. Hij wilde best geloven dat God zich aanpast, maar alleen op grond van aan de Bijbel zelf ontleende argumenten, niet op grond van een nieuwe natuurkundige theorie.

Revius was een filoloog en hij kwam dan ook tot zijn standpunten op grond van een nauwgezette studie van de bijbelwoorden. Ook voor beweringen op het terrein van de fysica was voor hem de Schrift het uitgangspunt. Hij vond het waaghalzerij om teksten anders te gaan interpreteren op basis van een nieuwe wetenschappelijke theorie. Wat er over fysieke dingen gezegd wordt, staat immers niet los van het geloof en de heilsleer.

Het is duidelijk dat ons wereldbeeld nogal verschilt van dat van Revius. We zijn immers allen copernicaan geworden. Maar hoewel Revius’ argumenten over hel en hemelvaart merkwaardig aandoen, ze komen wel voort uit de behoefte om geloof en wereldbeeld bij elkaar te houden. Dat is een prijzenswaardig streven.

Daarom is de huidige hemelvaartsverlegenheid van christenen misschien niet eens zo’n slecht teken – aangenomen dat ze voortkomt uit het serieus nemen van de Bijbel én van het wereldbeeld dat we erop na houden. Het simpelweg vergeestelijken van Jezus’ hemelvaart of het koste wat kost vasthouden aan een wereldbeeld waarin we eigenlijk niet kunnen geloven: dat zijn geen van beide erg bevredigende oplossingen.

vrijdag 13 april 2012

Oceaan of kathedraal


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 13 april 2012.

Bladerend door de Pensées trof me weer de moderniteit van Blaise Pascal. Over de omvang van het heelal wist Pascal minder dan wij, maar desondanks vond hij de gedachte aan de grootte van het universum beangstigend. Le silence éternel de ces espaces infinis m’effraie – de eeuwige stilte van deze oneindige ruimtes maakt me bang. Hij schrijft over een ‘zwijgend heelal’ en over de mens die ‘zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten’. Dit is taal die we herkennen en die we na kunnen voelen, die misschien inmiddels zelfs tot cliché geworden is. [opmerking 1/9/15: De meeste Pascalkenners lijken van mening te zijn dat deze gedachte van Pascal door hem in de mond wordt gelegd van een van de libertins tot wie hij zich richt. Een al te autobiografische opvatting ervan zou dus onjuist zijn.]

Het moderne beeld van het heelal ziet er, voor zover ik weet, als volgt uit. We leven op een planeet die samen met zeven andere planeten om de zon cirkelt. Ons zonnestelsel is een van de vele in een onvoorstelbaar groot sterrenstelsel: de Melkweg. Van zulke sterrenstelsels zijn er naar schatting een paar honderd miljard. En dat zeilt allemaal door de leegte van een ‘oneindig maar begrensd’ heelal.

Hoe zag iemand vóór Pascal de ruimte dan? In elk geval rekende hij met andere feiten. De ruimte was eindig. In het oude wereldbeeld stond de aarde in het centrum van de kosmos, met een zevental planetaire sferen eromheen en vervolgens de sfeer van de vaste sterren. Het was een zeer geordend geheel, zeker niet oneindig, maar ook bepaald niet klein. In een middeleeuws Engels boek staat dat je, om de buitenste sfeer te bereiken, meer dan achtduizend jaar moet reizen bij een afstand van ruim veertig mijl per dag. 186.880.000 kilometer dus (ervan uitgaande dat een middeleeuwse mijl 1,6 km was) en dan ben je er nog niet. Maar, en daar gaat het om, er bestond een solide grens.

En eeuwige stilte? Middeleeuwers wisten wel beter. Als elke planeet zijn eigen sfeer heeft, en elke sfeer met een bepaalde snelheid om de aarde wentelt, dan ontstaat er zoiets als een kosmische samenklank. Hemelse muziek, die een toonbeeld is van de volmaaktheid van de bovenmaanse wereld. Weliswaar dacht niet iedereen dat dit hemelse akkoord werkelijk hoorbaar was, maar met een eeuwige stilte heeft deze muziek der sferen weinig te maken.

C.S. Lewis heeft in enkele beelden het verschil tussen de nieuwe en de oude blik op de kosmos navoelbaar gemaakt. In The Discarded Image schrijft hij dat een middeleeuwer die ’s nachts naar boven keek het gevoel had zich in een enorme kathedraal te bevinden, terwijl moderne mensen het idee hebbendat ze uitkijken over een oeverloze zee die zich tot in oneindige verten uitstrekt. Ons universum is romantisch, huiveringwekkend, beangstigend; dan van de middeleeuwers was klassiek, imponerend, maar in de diepste zin van het woord in orde.

Het kan zijn dat het wij-zijdenken van dit stukje niet helemaal terecht is. Misschien zijn er bij christenen anno 2012 – dankzij het scheppingsgeloof – nog resten van het ‘klassieke’ beeld aanwezig. Welke gedachten spoken door hun hoofd als ze op een heldere avond naar Venus, Jupiter of Mars staan te kijken, naar Cassiopeia, Orion of de Tweelingen en als ze dan bedenken wat daar voorbij is, en daar weer voorbij, en zo ad infinitum?

vrijdag 3 februari 2012

De wereld wankelt niet


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 3 februari 2012.

De spanning tussen natuurwetenschap en christelijke theologie is niet van vandaag of gisteren. In Gods filosofen van James Hannam, een fraai boek dat de ondertitel draagt Hoe in de middeleeuwen de basis werd gelegd voor de moderne wetenschap (2010), kwam ik het voorbeeld tegen van Nicolaas van Oresme, een theoloog-filosoof-natuurwetenschapper uit de veertiende eeuw.

Een van de problemen waar Oresme zich mee bezig hield was de vraag of de hemelsferen om de aarde draaien of dat het juist de aarde is die draait, terwijl de hemel stilstaat. De eerste opvatting was traditioneel en algemeen aanvaard, de tweede revolutionair en ongehoord.

Elke middeleeuwer met een beetje opleiding wist dat de aarde een bol was en geen pannenkoek, en dat de omvang van de aarde miniem was in vergelijking met de haar omringende kosmos. Maar hij dacht dus ook dat de aarde onbeweeglijk in het centrum van het heelal stond – een opvatting die zowel vanuit de dagelijkse ervaring als vanuit de destijds gangbare wetenschappelijke theorieën nogal voor de hand ligt.

Oresme stelde vast dat eigenlijk niet te bepalen is of de aarde draait of stilstaat. Vergelijk het met de verwarrende ervaring van een treinreiziger die zich afvraagt of het zíjn trein is die rijdt of de trein op het spoor naast hem: er is een derde, vast punt nodig om dat te kunnen bepalen.

Beide opvattingen werden door Oresme onderzocht en hij nam de nieuwe hypothese volledig serieus. Hij wist natuurlijk dat de zon in de Bijbel heet op te komen en onder te gaan, maar hij was wijs genoeg, evenals generaties theologen voor hem, om te beseffen dat zulke passages gebaseerd zijn op het normale taalgebruik van het volk. Ze hoeven niet naar de letter te worden opgevat.

Met een eenvoudig beroep op het taalgebruik in de Schrift was Oresmes probleem dus niet opgelost. Ook rede en ervaring vermochten geen uitsluitsel te geven. Toen pakte hij er toch maar weer zijn Bijbel bij en hij stuitte op het eerste vers van psalm 93, waar hij las dat de wereld zo ingericht is ‘dat ze niet kan worden bewogen’. Toen moest hij wel de conclusie trekken dat de oude opvatting de juiste was. Niet bewegen is niet draaien.

Hannam, die in zijn boek overigens voortdurend de negatieve beeldvorming van de middeleeuwse Kerk corrigeert, geeft droogjes commentaar op Oresmes conclusie: ‘Hij had, als hij een goede reden had gehad om te denken dat de aarde wel degelijk bewoog, gemakkelijk zijn redeneervermogen kunnen gebruiken om ook dit vers aan te pakken.’

Die goede redenen lagen een paar eeuwen later wel voor het grijpen, toen Copernicus’ werk de ronde deed. Maar een gereformeerd predikant als Jacobus Revius achtte in de zeventiende eeuw de opvattingen van Copernicus strijdig met het gezond verstand en met de Schrift. Ik weet niet of Oresme dat met Revius eens geweest zou zijn. Zijn verstand, dat gezond genoeg was, zou in elk geval geen probleem hebben gehad met Copernicus’ ideeën. Zou hij wel hebben vastgehouden aan zijn beroep op psalm 93? Of zou hij hebben geaccepteerd dat nieuwe kennis van de wereld soms moet leiden tot een nieuwe exegese van de Heilige Schrift?