Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen

woensdag 11 november 2015

De wereld als app

Mijn RD-column van 10 oktober 2015 

Na een lesuur vol aandacht voor taal of literatuur is het etenspauze. De boeken gaan de tas in en de broodtrommels komen op tafel. Na het inleidende gerommel gebeurt er iets spookachtigs: een diepe stilte daalt in het klaslokaal neer.

Hoe dit komt? De student van nu verorbert zijn boterhammen append.

Ik vroeg leerlingen op zo’n moment laatst of ze hun sociale contacten aan het bijwerken waren – en de grap was dat ze het sarcasme niet begrepen. Naar hun idee was dat namelijk precies wat ze aan het doen waren: hun sociale contacten bijwerken. Dat kan tegenwoordig dus in volslagen stilte, met voorbijzien aan de directe omgeving.

Op de site van de New York Times las ik een stuk waardoor ik iets beter ging begrijpen wat ik in de klas had gezien. Het is geschreven door Sherry Turkle, hoogleraar op het gebied van technologie en maatschappij. Ze schrijft over het voeren van gesprekken in een tijd waarin de telefoon altijd onder handbereik is.

Wat blijkt? Als twee mensen zitten te praten en er ligt een telefoon op de tafel, beïnvloedt  dat de manier waarop ze praten ingrijpend. Ook al bevindt het apparaat zich in de periferie van hun blikveld, ze zullen – zo blijkt uit onderzoek - zich alleen wagen aan onderwerpen waarbij het geen probleem is om geïnterrumpeerd te worden. Een oppervlakkig gesprek is het gevolg.

Wíllen de disgenoten trouwens überhaupt nog een gesprek met elkaar voeren? In hetzelfde stuk schrijft Turkle dat een gesprek vraagt om geduld (het schijnt een minuut of zeven te duren voor ons duidelijk wordt waar een gesprek heengaat) en dat jongeren dat geduld vaak niet meer kunnen opbrengen.

De ‘app generation’ – de generatie van mensen die opgegroeid zijn met de telefoon in de hand – verwacht namelijk dat de wereld even snel en efficiënt reageert als een app. Gebeurt dat niet, dan haakt men af. Gesprekken voeren is natuurlijk niet altijd snel of efficiënt: er vallen stiltes, het gesprek gaat een kant op die we niet voorzien hadden, onze gespreksgenoot blijkt weerbarstiger dan we vermoedden. En dus worden echte gesprekken hoe langer hoe zeldzamer.


Hoe kunnen we de ruimte voor menselijk contact terugwinnen? Turkle geeft enkele adviezen. Leer de eenzaamheid te herwaarderen. Creëer telefoonvrije tijden en ruimtes. Ontwerp meer functies als het ‘do not disturb’ van de iPhone. En: investeer in gesprekken – want beter dan een app laat een gesprek zien hoe rijk, sprekend en onvoorspelbaar de werkelijkheid is. 


dinsdag 2 juni 2015

Muziekles

Mijn RD-column van 23 mei 2015
Rendementsdenken – sinds de studentenprotesten in Amsterdam zingt het woord in de publieke ruimte rond. Het gaat om het idee dat onze activiteiten alleen het ondernemen waard zijn als ze ons economisch voordeel brengen. Universitair onderzoek moet geld in het laatje brengen, de universiteit zelf moet renderen, desnoods door investeringen in vastgoed. Nutteloze studies worden afgeschaft, zuiver op kennis gericht onderzoek heeft het moeilijk.
Rendementsdenken komt niet alleen voor in kringen van universiteitsbestuurders. Die zijn ook maar een exponent van de cultuur waarin ze leven, en van een politieke cultuur waarin het meestal economische argumenten zijn die de doorslag geven.
Ik kwam een frappant voorbeeld van rendementsdenken tegen in een onderzoek naar muziekonderwijs op basisscholen. Ik geloof dat de meeste normale mensen zouden zeggen dat muziekles op school een goed idee is omdat kinderen van muziek houden en graag zingen, of omdat muziek behoort tot het mooiste wat ons hier en nu is gegeven.
Dan de onderzoekers. ‘Muziekonderwijs levert onmiskenbaar een belangrijke bijdrage aan een goed functionerende maatschappij,’ is hun conclusie. Muzikale activiteiten leiden immers tot een betere motoriek, tot verbeteringen in de intelligentie, het geheugen, de sociale vaardigheden en de taalontwikkeling. Kinderen leren door muziekles multitasken, plannen, hun impulsen onderdrukken en nog veel meer. ‘Je kunt zelfs stellen dat het bedrijfsleven zichzelf een goede dienst zou bewijzen door te investeren in muziekles.’
Muziek verbetert het kind, zo valt hier dus te lezen, en betere kinderen bezorgen ons een betere maatschappij en het hoogste wat de maatschappij te bieden heeft is het bedrijfsleven. Het wordt allemaal met droge ogen opgeschreven en niets wijst erop dat er ironie in het spel is.
Of ik dan ontken dat muziekles een hele reeks gunstige effecten heeft? Natuurlijk niet, ik geloof het allemaal graag. Het probleem is dat dit soort effecten als rechtvaardiging voor de beoefening van muziek wordt gezien. Anders gezegd: wanneer iets wat een toevallig neveneffect is van een activiteit verheven wordt tot het doel van die activiteit. En dat werkt dus niet. Kinderen die op muziekles gaan om er intelligenter van te worden, keren zich walgend van de muziek af – of ze vergeten hun IQ en gaan van muziek houden. (Een derde mogelijkheid is dat het erg vervelende kinderen worden.)
We hoeven niet te stellen dat muziek nutteloos is. Het nut van muziek is dat het de toehoorder genot schenkt, of dat het een middel is om God te eren. Waar we vanaf moeten is het waanidee dat er geen ander nut is dan economisch nut.


vrijdag 23 december 2011

Elckerlyc in 4 havo


Afgelopen weken lazen mijn beide 4 havoklassen Elckerlyc. Doorgaans namen we bij de middeleeuwen Karel ende Elegast door, maar na een jaar of wat wil je wel eens iets anders. Ik maakte een diapresentatie ter inleiding, we lazen het stuk in drie lessen, en daarna besteedden we wat tijd aan presentaties, om typisch rooms-katholieke aspecten van het stuk te verduidelijken. Leerlingen van mijn degelijke reformatorische school weten immers niet wat de biecht precies is, of het oliesel.

Natuurlijk hadden we de Middelnederlandse tekst voor ons. Als er gelezen én voorgelezen wordt, is dat zo moeilijk niet.

In Elckerlyc is God niet te spreken over de manier waarop de mensen leven. Daarom besluit Hij de Dood op Elckerlyc (= iedereen) af te sturen om hem ter verantwoording te roepen. Elckerlyc moet een pelgrimagie beginnen om rekeninghe te doen.

Vanuit het perspectief van de Dood zien we de nietsvermoedende Elckerlyc (‘Hoe luttel vermoet hi op mijn comen!’) en dan wordt hem de vraag gesteld waarheen hij zo fraai uitgedost op weg is. Hij mag in de jacht op werelds goed God dan wel vergeten zijn, maar dat betekent niet dat God hém uit het oog verloren is! Elckerlyc schrikt en doet nog wat pogingen om het onheil af te wenden, maar de Dood is onverbiddelijk: gaan moet hij, vandaag nog.

Graag wil Elckerlyc de Deugd meenemen op de tocht die hij moet gaan maken, maar die ligt ziek te bed en is op sterven na dood. Pas als Elckerlyc gebiecht heeft en boete gedaan, wordt Deugd weer gezond. Zij is ten slotte ook de enige die meegaat het graf in. Zo kan Elckerlyc voor God verschijnen.

53 zestienjarigen hebben dus Elckerlyc gelezen en nu liggen er dan evenzovele toetsen voor me. Wat heeft het ze gedaan, vraag ik me af, boven de stapels papier. Hun leven ligt er vast niet van overhoop, maar als ik me niet vergis zijn erbij die het op zijn minst verrassend vinden, om hun eigen leven te bekijken door de ogen van de Dood. Dat hoop je als docent natuurlijk ook, dat ze gaan nadenken over de vraag die het stuk opwerpt: wat helpt ons als we sterven moeten?

Tijdens de les had ik geen zin om ze voor te gaan kauwen dat Elckerlyc nogal rooms is. Dat zou, vreesde ik, verhinderen dat ze gewoon de tekst tot zich lieten spreken. Pas op de toets vroeg ik expliciet wat de belangrijkste wijziging zou zijn in een protestantse bewerking van het stuk (die overigens ook werkelijk bestaat). Tot mijn verrassing had maar een enkeling door dat de rol die Deugd in Elckerlyc heeft in het protestantisme aan Christus toekomt. Alsof ze niet allemaal regelmatig over vraag en antwoord 30 uit de Heidelbergse Catechismus horen preken. De meeste suggesties kwamen neer op het schrappen van de biecht, van de priester of van andere katholieke parafernalia. (Vooruit, toch één punt.)

Is dat gewone zestienjarigenoppervlakkigheid? Of raakt bij deze jongelieden de leer het leven (nog) niet? Daar lijkt het wel op. Zodra ze buiten de context van kerk en catechisatie stappen, nemen ze ideeën die reformatorisch gezien pertinente dwalingen zijn, voor zoete koek aan. Misschien moet ik ze dat dan toch maar voor gaan kauwen.