Posts tonen met het label lijdenstijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lijdenstijd. Alle posts tonen

vrijdag 1 april 2016

Pijn

Hoe zou ons leven eruit zien als de medische wetenschap de laatste driehonderd jaar stil was blijven staan? Denk eens een paar recente verworvenheden weg: de gedetailleerde kennis van het menselijk lichaam, de beschikbaarheid van doeltreffende medicijnen en de mogelijkheid om pijn te verdoven. Een wortelkanaalbehandeling is toch eigenlijk een pretje in vergelijking met de pijn die ons naar de tandarts deed ijlen.

De bloei van de geneeskunde heeft misschien ook een keerzijde. Wat doet het met ons als fysieke pijn en fysiek lijden uit ons leven gebannen zijn? Zou het kunnen dat daarmee een mogelijkheid om tot geestelijke verdieping te komen verloren is gegaan?

Ik vraag me dat af, mede doordat  ik de afgelopen tijd heb gewerkt aan de vertaling van een tekst van Blaise Pascal (het ‘Gebed om van God het juiste gebruik van ziekten te vragen’) waarin de aanvaarding van het lijden een van de hoofdthema’s is. Het vragen om genezing is bij Pascal niet aan de orde, hoewel hij sinds zijn achttiende geen dag zonder pijn heeft geleefd. We zouden zijn lijden nu ‘ondraaglijk’ noemen.

In zijn gebed laat Pascal er geen twijfel over bestaan dat de ziekte een straf voor zijn zonden is, en een manier waarop God hem tot bekering roept. Maar hij ziet zijn ziekte ook als een manier om te ervaren hoezeer hij één is met zijn Zaligmaker. Wie met Hem verheerlijkt wil worden, zal ook met Hem moeten lijden. Pascal schrijft, biddenderwijs:

‘Kom in mijn hart en in mijn ziel, om er mijn lijden te lijden, en om verder in mij te doorstaan wat nog vóór U ligt van uw lijdensweg, die U voltooit in uw leden, tot de volmaakte voleinding van uw lichaam; opdat ik, vol van U, het niet meer zelf ben die leef en die lijd, maar dat U het bent die leeft en die lijdt in mij, o mijn Verlosser; en dat U me zo, terwijl ik enigszins deelheb aan uw lijden, geheel vervult met uw heerlijkheid, de heerlijkheid waarin U leeft met de Vader en de Heilige Geest, tot in alle eeuwigheid.’

Het is een indrukwekkend einde van een indrukwekkend gebed, dat de lezer confronteert  met zijn eigen vanzelfsprekendheden: gaan we er niet te snel vanuit dat pijn en lijden per definitie slecht zijn, dat we ze moeten vermijden en uit de weg moeten ruimen? Dat is een vraag die op Stille Zaterdag te denken geeft, de dag waarop de christenheid als het ware bij het graf van Jezus zit en terugblikt op het lijden van Hem die van God geslagen en verdrukt was.

Mijn RD-column van 26 maart 2016


zaterdag 21 maart 2015

Verbergende het aangezicht

Mijn RD-column van 28 februari 2015

Het is lijdenstijd, maar mensen houden niet van lijden. Ik las deze week in de roman Opstanding (1899) van Lev Tolstoj over de hoofdpersoon Nechljoedow en hoe hij terugdenkt aan het sterven van zijn moeder. ‘Hij herinnerde zich hoe hij gedurende de laatste dagen van haar ziekte bijna haar dood had gewenst. Hij had toen bij zichzelf gezegd dat hij haar dood wenste om de ongelukkige van haar lijden verlost te zien, maar nu voelde hij dat hij zichzelf verlost had willen zien van de aanblik van haar lijden.’ Dat zijn pijnlijke zinnen: ze wijzen op de mogelijkheid dat mensen terugschrikken voor het lijden van een ander omdat ze er zelf onder lijden.

Nechljoedow was gesteld op een ongestoord en comfortabel leven; het lijden van zijn moeder was daarin een onwelkome dissonant. Als hij zich werkelijk in zijn moeder had verplaatst, en dus haar lijden had meegevoeld, zou hij geconfronteerd zijn met zijn eigen kwetsbaarheid, met de mogelijkheid dat hijzelf door lijden zou worden getroffen. Die gedachte hield hij liever op afstand.

Wat voor Nechljoedow gold, geldt nog steeds. NRC Handelsblad interviewde deze week enkele jonge voorvechters van euthanasie. Twee van hen zijn ongeneeslijk ziek, ze zijn 29 en 34 jaar oud. De een wil niet meer behandeld worden als ze ‘te benauwd is’ of als ze ‘er zelf niet meer bij is’. De ander wil dood als ze ‘een last’ wordt, als ze ‘kwijlend op de bank ligt’. Haar euthanasieverklaring heeft, zegt ze, haar angst weggenomen en haar een gevoel van veiligheid gegeven. Ze verkiest de dood boven het lijden en de ontluistering.

Toen ik het las, dacht ik aan Jesaja 53, over de Man van smarten voor wie men was ‘als verbergende het aangezicht’. Het aangezicht verbergen: dat is blijkbaar hoe wij mensen reageren als we geconfronteerd worden met het lijden, van  onszelf of van een ander. We zien het liever niet, en als het te dichtbij komt houden we onze handen voor de ogen, in de vorm van een euthanasieverklaring of op welke manier dan ook.

In Gethsemane bidt de Knecht des Heeren of zijn Vader de drinkbeker aan Hem voorbij wil laten gaan, ‘doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’. Hij was mens, het lijden beangstigde Hem. Maar hij was ook de Zoon van God, in zijn volstrekte onderwerping aan de wil van zijn Vader – en dat betekende in Gethsemane: in de aanvaarding van het lijden.

vrijdag 29 maart 2013

Franciscus en de paus


Ecco il santo, riepen de mensen als Franciscus van Assisi een stad of dorp binnenkwam: daar is de heilige! Men luidde de klokken en ging zingend voor hem uit met takken in de handen. Zover is het met paus Franciscus nog niet, maar het is duidelijk dat hij op dit moment buitengewoon geliefd is. Ook seculiere media kunnen zich maar moeilijk aan het enthousiasme onttrekken. De berichten over zijn appartement (in plaats van een bisschoppelijk paleis), zijn reizen met de metro (in plaats van met een dienstauto) en zijn bezoeken aan sloppenwijken zijn uitentreuren herhaald. Ongetwijfeld zal men straks zijn gal spuwen als hij blijkt vast te houden aan de overgeleverde standpunten over de heikele ethische thema’s, geworteld als die zijn in een eeuwenoude denktraditie. Van Hosanna naar het kruis.

Franciscus is de eerste paus die deze naam kiest. Is dat revolutionair? Hij verwijst ermee naar de heilige Franciscus van Assisi (1182-1226), wiens naam destijds zeker ongewoon was: waarom zou je als Italiaan je kind ‘Fransman’ noemen? Het verhaal is dat zijn moeder haar pasgeboren zoon Giovanni noemde, maar dat vader Bernardone voor de naam Franciscus koos, naar het land dat hij zojuist op zakenreis had bezocht. De betrouwbaarheid van deze anekdote staat niet vast, maar wel is duidelijk dat deze naam bijzonder en ongebruikelijk was.

Bijzonder en ongebruikelijk zou ook het latere optreden van Franciscus zijn. Bekend is het werk van Giotto, waarop afgebeeld is hoe Franciscus zijn kleren aflegt – hij geeft ze in feite terug aan zijn vader, wiens eigendom ze waren. Zijn vader verklaarde hem voor gek dat hij een welvarende toekomst vergooide om in armoede te gaan leven. De sympathie van de biografen ligt steevast bij Franciscus en niet bij zijn vader, maar diens verontwaardiging is alleszins voorstelbaar. Het was een tijd waarin de steden groeiden, de handel bloeide en er zoiets ontstond als een geldeconomie.

Franciscus’ optreden zal voor zijn tijdgenoten confronterend zijn geweest: hoe bestond het dat iemand geld en goed zo onbelangrijk vond? Ook wat dat betreft ligt de parallel met de nieuwe paus voor de hand. Wat moeten de graaiers in de financiële wereld en elders niet denken over een paus die alle luxe voor zichzelf van de hand wijst. Ontwrichtend moet het ook geweest zijn dat rijken en armen binnen Franciscus’ broederschap als gelijken met elkaar omgingen. Zijn vrouwelijke evenknie Clara van Assisi was van adel. Rijkdom en stand werden vérgaand gerelativeerd.

Waarschijnlijk op 14 september 1224 heeft Franciscus in zijn kluizenaarsoord een visioen van een aan het kruis genagelde serafijn. Vervuld met vreugde én droefheid mediteert Franciscus over wat hij te zien krijgt. Dan verschijnen er wonden op zijn handen en voeten en in zijn zij: een onderstreping van zijn extreme identificatie met de lijdende Christus. Naar verluidt is Franciscus de eerste gestigmatiseerde van het christendom. Velen zouden hem volgen. Ook daarin bracht Franciscus dus iets nieuws. Tegelijk bleef hij een loyaal zoon van de moederkerk. Hij was tegelijk vernieuwend en loyaal. Wellicht is dat ook waar de nieuwe paus naar streeft.

vrijdag 1 maart 2013

Kerk en kroeg


Een mooie aflevering van NTR Podium was er vorige week te zien, over de Schotse componist James MacMillan. Gelukkig dat er in Hilversum nog zulke programma’s gemaakt worden. Het is toch moeilijk voorstelbaar dat een commerciële omroep een documentaire uitzendt over een eigentijdse componist van ‘moeilijke’ klassieke muziek, waarin dan ook nog eens respectvol aandacht geschonken wordt aan zijn kerkelijke betrokkenheid.

Want gelovig is MacMillan – net als zoveel andere grote componisten uit deze en de vorige eeuw: Messiaen bijvoorbeeld, of Goebaidoelina. Een foto van de paus siert MacMillans componeervertrek, waar hij elke zaterdag de muziek schrijft die de volgende dag tijdens de mis zal worden uitgevoerd. Dan dirigeert hij ook het koortje dat de muziek zingt. En denk nu niet dat het om een yuppenkerk gaat. Naar verluidt staat St. Columba’s in een minder gegoede wijk van Glasgow. De beelden spreken trouwens voor zich.

Integratie, dat lijkt me een woord dat MacMillan karakteriseert. Hij neemt presentator Hans Haffmans mee naar een wedstrijd van Celtic, waar hij voor het stadion met deze en gene een praatje maakt alvorens de VIP-lounge te betreden. Hij  gaat ook met Haffmans naar een kroeg waar een paar jonge muzikanten Schotse muziek improviseren, en we zien hem repeteren voor de kerkdienst in St. Columba’s. Maar evengoed staat hij als dirigent in het Concertgebouw voor de Radio Kamer Philharmonie, als topviolist Vadim Repin zijn Vioolconcert speelt. MacMillan lijkt zich niet er niet van bewust dat het verbinden van al deze werelden voor veel mensen een lastige opgave zal lijken.

Ook in de muziek van MacMillan is een zekere veelkleurigheid te constateren. Die fiddlers in de pub maken iets begrijpelijk van het extreem rusteloze karakter van het Vioolconcert. De opa van de componist, mijnwerker en een groot liefhebber van muziek, speelde in een brassband. Dat heeft merkbaar zijn sporen nagelaten in de passages voor koper.

De kerk en de kroeg, de cultuur van de elite en van het volk: MacMillan put uit allerlei bronnen. Tegenover Hans Haffmans maakte hij over zijn hang naar traditie een aantal interessante opmerkingen. Hij is, zegt hij, geen nostalgicus die het verleden terug wil halen; wat hij doet is het voortdurend onderzoeken van het verleden als een manier om zich de traditie eigen te maken. MacMillan ziet de traditie als een rivier die door de geschiedenis stroomt, een rivier die het omringende landschap bevloeit. In zijn composities is te horen wat dat op muzikaal gebied oplevert.

Nu het lijdenstijd is en daarmee de tijd voor passiemuziek, zou u eens naar de Johannespassie van MacMillan kunnen grijpen (bijvoorbeeld in de uitvoering door het London Symphony Orchestra geleid door Colin Davis). Ook dat is een stuk waarin honderden jaren traditie resoneren. Het is ook een uitermate communicatief stuk. Tegelijk zal iemand die Bach als referentie heeft af en toe de wenkbrauwen fronsen: MacMillan past allerlei verworvenheden van de nieuwe muziek onbeschroomd toe en het klankbeeld is dan ook niet welluidend te noemen.

vrijdag 2 maart 2012

Verstoten


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 2 maart 2012.

Een tijdje geleden stond er in het christelijke literaire tijdschrift Liter een empathisch geschreven essay over De arkvaarders van Anne Provoost. Dat boek, maak ik uit het artikel op, gaat over de mensen die niet met de ark mee mochten. Dus over degenen die niet uitverkoren waren, de verstotenen.

Als we een gedicht van C.S. Lewis mogen geloven was er ook een dier dat niet de ark in mocht. Dat dier symboliseert de Verstotene.

‘The Late Passenger’ heet het gedicht en het begint als volgt:

The sky was low, the sounding rain was falling dense and dark, 
And Noah's sons were standing at the window of the Ark. 

De regen valt, de deur is dicht en de ark gereed voor wat komen gaat als de broers ontdekken dat er nog een dier aan de deur klopt. Cham – natuurlijk hij – is helder: voor zijn part mag het beest verdrinken of anders moet het maar leren zwemmen. En laten zijn broers niet te veel kabaal maken, anders wordt vader wakker en dat zal weer een hoop extra werk betekenen. Maar helaas voor Cham:

Noah's voice came roaring from the darkness down below,
'Some animal is knocking.
Take it in before we go.'

Cham speldt zijn vader het een en ander op de mouw en als Noach aan dek komt heeft het dier zich al afgekeerd. Noach weet: hem te laten wachten was onbestaanbaar, wij zijn voorgoed te laat. Noach staat er met knikkende knieën bij en zegt, met een subtiele verwijzing naar later tijden:

'Oh noble and unmated beast, my sons were all unkind;
In such a night what stable and what manger will you find?’

Een barre nacht, een stal en een kribbe: het is duidelijk naar wiens lijden dit verwijst.

Wie nu al weet over welk dier Lewis’ gedicht gaat, heeft zijn christelijke fabologie goed op een rijtje. Want het gaat over een fabeldier: de eenhoorn, een dier dat nooit op de aardbodem heeft rondgelopen. Toch is er een heel web van verhalen om hem heen geweven. In een boek van de fijnzinnige mediëvist W.P. Gerritsen (die op het omslag van dit boek Willem heet) valt het na te lezen: Het spoor van de eenhoorn. De geschiedenis van een dier dat niet bestaat (2011).

Hoe is de vereenzelviging met Jezus ontstaan? Al heel vroeg in de middeleeuwen werd verteld dat de eenhoorn alleen gevangen kan worden door een zuivere maagd die zich bevindt op het pad dat het dier gewoonlijk gaat. Het springt dan bij haar op schoot en is in haar macht. De associatie met Maria ligt voor de hand. In haar is het woord vlees geworden.

In verschillende Nederlandse kerken is de voorstelling van vrouw met eenhoorn te zien; Gerritsen noemt Loppersum, Bolsward en Zutphen. In Zutphen is ook een jager te zien die zijn lans op het dier richt: een verwijzing naar Jezus’ kruisdood.

Lewis kende deze traditie natuurlijk en hij verwerkte haar in zijn zondvloedgedicht. Er bestaat ook een joods volksverhaal, waarin Noach de eenhoorn niet mee wil nemen in de ark. Kende Lewis dat verhaal ook? In dat geval zou  zijn gedicht een contaminatie van drie verhalen betekenen. Hoe dan ook is ‘The late Passenger’ een originele voortzetting van een oude literaire traditie.

maandag 14 maart 2011

Passie: liever niet

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 11 maart 2011

Het is weer Aswoensdag geweest, de veertigdagentijd is begonnen. Vroeger, ik had nog nooit van veertigdagentijd of Aswoensdag gehoord, verscheen in deze weken de bundel Passie en Paschen van Jan Zwart op de ouderlijke orgellessenaar. Het was lijdenstijd.
Ook nu kom ik het woord passie tegen, en wel op onze pakken Boerenlandyoghurt. Daarop prijkt al enige tijd een in blauw overall gehulde boer. Onder het kopje ‘De passie van Jan Jaap Jantjes’ hangt Campina reclame aan hem op.

Iedereen lijkt momenteel met passie bezig. Zoek maar eens met Google op ‘passie voor’. De een heeft een passie voor nagels, een ander voor merkontwikkeling, een derde voor licht en privacy. De mooiste treffer is een personeelsadvertentie waarin een ‘ervaren calculator met een passie voor beton’ gevraagd wordt. Klik je op de advertentie, dan blijkt wat er van de nieuwe werknemer wordt verwacht: ‘Je denkt voornamelijk in systemen, processen en regelkringen.’ Zonder passie zal dat inderdaad moeilijk worden.
Ook serieuze en hoogopgeleide mensen bezondigen zich eraan. In deze krant mochten enkele studenten onlangs vertellen waarom ze aan hun opleiding in de zorg waren begonnen. U raadt het al: uit passie.

Kennelijk willen we graag de indruk wekken dat al onze activiteiten voortkomen uit een onstuitbare aandrang. Men stelle zich de manicure voor die de drieënvijftigste nagel van die dag onder handen neemt, de calculator die met zijn spreadsheets aan de slag is, de student die zich op zijn hertentamen voorbereidt: ze zijn aan het werk in een staat van aan uitzinnigheid grenzende gedrevenheid.
Je mag vakkundig zijn, van je werk houden, nauwkeurig en plichtsgetrouw zijn – dat betekent niets. Er is maar een ding onmisbaar: opgeklopte emotie.

Eertijds werd passie verbonden aan het dichterschap, zie de befaamde inleiding van Willem Kloos op de Gedichten van Jacques Perk (1882). Kloos stelt de dichter voor als iemand die schrijft uit ‘machtige passies’, waaraan het burgers en routinepoëten ontbreekt. Het dichterschap krijgt bij Kloos zelfs masochistische trekken: de poëzie verkeert volgens hem ‘de diepste smart in den wellust van den pijn’. Ja, ze drukt de dichter ‘tot bloedens toe’ de doornen in het voorhoofd, ‘opdat er de eenige kroon der onsterfelijkheid uit ontbloeie’.
Blasfemisch misschien, maar wel consequent. Passie betekent natuurlijk sterke emotie, maar het heeft (etymologisch vanuit het Grieks en Latijn goed verklaarbaar) ook altijd verwezen naar smart en lijden. In een gekerstende taal werd dat het lijden van Christus en in zijn voetspoor ook het lijden van de martelaren. Bij Kloos klinken, als ik me niet vergis, beide betekenissen door.

Misschien is het een goed idee om passie alleen nog te gebruiken als het over Christus’ lijden gaat (we luisteren naar de Mattheüspassie), of als het over een werkelijk uitzonderlijke toewijding gaat - een toewijding zo groot dat ze het ook bij tegenslag, moeite en verdriet uithoudt.
Het is echter te vrezen dat de woordenklopperij blijvende schade heeft aangericht. Dan is het beter om een algeheel moratorium op passie in te stellen. Slechts voor Zwart, Bach en andere componisten maken we een uitzondering.