Posts tonen met het label homoseksualiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label homoseksualiteit. Alle posts tonen

donderdag 15 juni 2017

Progressieve chantage

Mijn RD-column van 25 maart

In de media lees ik dat de theoloog Tim Keller géén prijs krijgt van Princeton Theological Seminary. Dat zit zo: Keller zou op 6 april de Kuyper Prize krijgen vanwege zijn ‘innovatieve theologie’, maar omdat zijn standpunten door sommigen te conservatief worden bevonden, krabbelt het seminarie terug. Keller is namelijk tegen het bekleden van kerkelijke ambten door vrouwen en denkt conservatief over homoseksualiteit. Vrouwelijke dominees in de VS spreken over een ‘giftige theologie’ en nemen het woord ‘mishandeling’ in de mond.

Ik signaleer twee opmerkelijke aspecten aan deze kwestie.

De eerste betreft de tolerantie van de progressieve beweging, in de kerk in dit geval. Die tolerantie, waarop progressieven zich graag laten voorstaan, strekt zich blijkbaar uit tot allen die de juiste standpunten hebben – oftewel: niet zo ver. Je zou denken dat verdraagzaamheid juist opgebracht moet worden als iemand anders is of denkt dan jezelf. Het is namelijk nogal eenvoudig om verdraagzaam te zijn jegens iemand die in belangrijke opzichten lijkt op jezelf.

Vanwaar dit onvermogen om de tolerantie wat verder uit te strekken? Het zal te maken hebben met het bij progressieven onuitroeibare idee dat men het ethische gelijk aan zijn zijde heeft, en dat er dus verder niet geargumenteerd hoeft te worden. Conservatief denken over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit is in deze optiek niet eens onjuist, het is vooral slecht. En andersom: progressief denken is niet goed omdat het waar is, maar goed omdat het goed is.

Het tweede aspect heeft te maken met wat C.S. Lewis ‘bulverisme’ noemde: een manier van denken waarbij je er bij voorbaat van uitgaat dat je opponent het bij het verkeerde eind heeft en je denkt dat je alleen nog maar hoeft uit te leggen waaróm hij deze fout maakt. Probleem hierbij is dat je eerst moet aantonen dát je tegenstander een onjuist standpunt heeft – pas daarna kun je proberen te verklaren om welke reden hij dat standpunt inneemt.

Iets van dit bulverisme is aanwezig in de reacties op Keller: men suggereert dat hij zijn standpunt over vrouwen inneemt, omdat hij op vrouwen neerkijkt. Inderdaad: misschien kijkt Keller op vrouwen neer; misschien ook niet. Het maakt niets uit. Of hij vrouwen wel of niet minacht zegt namelijk niets over de juistheid van zijn ideeën over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden.

Zeker, mensen zijn complex, en de wordingsgeschiedenis van iemands overtuigingen is ingewikkeld. Maar wie in alle redelijkheid van gedachten wil wisselen, doet er goed aan om eerst maar eens te gaan kijken naar die overtuigingen zelf. Spijtig dat Princeton toegeeft aan deze morele chantage.

vrijdag 9 mei 2014

De menselijke natuur

Niet eerder of elders gepubliceerd.

Een woord kan uiteenlopende betekenissen hebben en het is plezierig als iemand die een meerzinnig woord gebruikt erbij vermeldt welke betekenis hij in gedachten heeft. Dat gebeurt lang niet altijd. Het kan zijn dat de gebruiker het nalaat omdat hij denkt dat iedereen wel weet op welke betekenis hij doelt; hij kan bang zijn om te worden vastgepind op een specifieke betekenis; of hij kan er zich simpelweg niet van bewust zijn dat hij een homoniem gebruikt.

A.J. Plaisier, synodescriba van de PKN, sprak onlangs op een studiedag van de Gereformeerde Bond over homoseksualiteit en deed daar volgens het RD-verslag (21 februari 2014) de uitspraak dat homoseksualiteit bij de menselijke natuur hoort. Het probleem van deze uitspraak schuilt in het woordje natuur. C.S. Lewis had er in zijn boek Studies in Words (1960) vijftig bladzijden voor nodig om de complexe betekenisgeschiedenis van natuur te schetsen. Het kan bijvoorbeeld verwijzen naar zulke uiteenlopende zaken als de aard van een individu of soort, naar al het bestaande, of naar het onbedorven landschap buiten de stad.

De vraag is derhalve welke betekenis het woord heeft in de uitspraak van Plaisier. In de woorden die het RD weergaf zie ik drie mogelijkheden.

1) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur zoals die door God bedoeld is en geschapen. In dat geval zou het iets goeds zijn. Natuur staat hier voor de onbedorven aard van de mens. Ik meen dat dit in de klassieke theologie een courante opvatting van het woord natuur is (geen courante opvatting over homoseksualiteit).

2) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur zoals die is geworden door de zondeval.  In dit geval zou het meer of minder slecht kunnen zijn. Dit gebruik van het woord natuur is ook te vinden in de Navolging van Christus (3.55), waar de auteur vermeldt dat het woord natuur gebruikt wordt voor ‘de gebreken en zwakheden der verdorven natuur’, hoewel hij uiteraard erkent dat de menselijke natuur goed geschapen was.

3) Homoseksualiteit hoort bij de menselijke natuur in die zin dat zonder interventie van buitenaf bij bepaalde personen vanzelf homoseksueel gedrag zal plaatsvinden. Het gaat hier niet zozeer over goed en kwaad, maar over iets wat als feitelijk gebeuren wordt gepresenteerd. Tegengesteld aan natuur in deze betekenis is conventie of opvoeding of dwang: natuur is datgene wat gebeurt als niemand ingrijpt.

In het RD-verslag lijkt Plaisier over te springen van de eerste naar de tweede naar de derde betekenis. Het is mij daardoor niet duidelijk wat hij heeft willen beweren. Wist hij niet dat 'natuur' een complex woord is? Of heeft hij zich - misschien uit schroom - zo voorzichtig willen uitlaten dat hij uiteindelijk niets durfde te zeggen?

Ter toelichting laat ik hier de betreffende citaten uit het RD-verslag volgen.

Homoseksualiteit is niet alleen een pastoraal maar ook een ethisch thema, aldus de scriba. „Is homoseksualiteit onderdeel van de schepping [natuur in betekenis 1], of een afwijking, een gevolg van de zondeval? Het is duidelijk dat de meningen daarover in onze kerken sterk uiteenlopen. Maar ethiek mag nooit worden gereduceerd tot „het mag” of „het mag niet.””

Dan legt dr. Plaisier zijn „persoonlijke kaarten” op tafel. Homoseksualiteit hoort volgens hem tot de menselijke natuur, die niet volmaakt is, „maar waar we het wel mee moeten doen [natuur in betekenis 2]. De beleving van homoseksualiteit gaat tot op het bot. Homo’s doen niet iets wat tegen hun natuur ingaat; ze volgen die [natuur in betekenis 3]. Wie homoseksualiteit als een gave ziet, kan die vormgeven in een duurzame gemeenschapsrelatie.”