Posts tonen met het label landschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label landschap. Alle posts tonen

donderdag 29 december 2016

Groen maar niet links

Mijn RD-column van 17 december 2016

Het heeft mij altijd verbaasd dat de milieuproblematiek zo weinig aandacht krijgt in conservatieve kringen. Conservatieve denkers en politici maken zich druk over allerlei vraagstukken, maar schijnbaar niet over de staat van onze planeet. Is dat omdat ze denken dat het een links thema is?

Enkele jaren geleden kwam de onverdacht conservatieve filosoof Roger Scruton met zijn boek Groene filosofie. Anders dan sommige rechts-populistische politici bleek hij geen klimaatontkenner. Zijn visie op de bescherming van natuur, milieu en landschap is een logisch uitvloeisel van een conservatieve kijk op de wereld.

Het is echter de vraag in hoeverre Scrutons ideeën zijn verwerkt door het conservatieve publiek. Thierry Baudet bijvoorbeeld, die een tijdje geleden een blije foto op Twitter zette van Scruton en zichzelf, met als onderschrift ‘Wij zijn het eens’ – het door Baudet opgerichte Forum voor Democratie wijdt op zijn site geen woord aan natuur en milieu, hoewel het een politieke partij beoogt te zijn.

Baudet zei onlangs op een bijeenkomst dat een door mensen veroorzaakte klimaatverandering ‘hoogstwaarschijnlijk flauwekul’ is. Als hij Scruton zou lezen in plaats van foto’s van hem te maken, zou hij weten dat Scruton op grond van gedegen bronnenstudie tot de conclusie komt dat menselijke invloed op klimaatverandering zeer aannemelijk is. We waren het toch eens?

Onlangs zag ik een mooie documentaire, waarin Alicja Gescinska bij Scruton op bezoek gaat. Het woord ‘idyllisch’ is volstrekt ontoereikend om te beschrijven hoe Scrutons boerderij op het platteland van Wiltshire eruit ziet.

Op zeker moment wordt Scruton gewezen op het ongebruikelijke van een conservatieve filosoof die  over het milieu schrijft. Hij reageert met te stellen dat het milieu ‘fundamenteel een conservatieve zaak’ is.  We zijn, zegt hij, op aarde als ‘trustee’ (beheerder). Je moet beheren wat de doden hebben nagelaten voor het welzijn van de ongeborenen, en dat geldt niet alleen voor het  menselijke, maar ook voor het natuurlijke kapitaal.

Het door en door Engelse-groene karakter van Scrutons woonomgeving is geen product van het soort nostalgie dat in populaire tijdschriften de boventoon voert, maar van een weldoordachte filosofie. De liefde voor ons thuis (in het klein en in het groot) is daarin een belangrijk element. Het is een thuis dat ons gegeven is, en dat we ook weer moeten doorgeven.

Zorgen voor de wereld om ons heen is dus geen linkse hobby, maar het past bij de aard van onze aanwezigheid op deze planeet. Als beheerder – anders gezegd: rentmeester – is het onze taak om te zorgen voor wat ons wordt toevertrouwd. Het zou absurd zijn om een uitzondering te maken voor alles wat met groen te maken heeft. 

vrijdag 12 december 2014

Holland of niemandsland

Mijn RD-column van 6 december 2014

Als lezer van het werk van Ida Gerhardt wist ik dat ons landschap haar aan het hart ging. Talloos zijn haar lofzangen op de Hollandse ruimte, tarijk ook de klachten over de aantasting van het landschappelijk schoon. Vooral in de bundel Kwatrijnen in opdracht is dit hét thema.

Wat ik niet wist, is dat Gerhardt zich ook buiten haar poëzie met de bescherming van het landschap heeft bezig gehouden. In Tegen de keer, de recent verschenen Gerhardt-biografie door Mieke Koenen, blijkt dat ze zich vooral in haar tijd in Kampen (1939-1951) actief heeft ingezet. Uitbreidingsplannen van de stad Kampen, mogelijke vestiging van industrie langs de IJssel, plannen voor een spoorlijn van Kampen naar de Noordoostpolder: Ida Gerhardt klom in de pen om via landelijke instanties haar zorgen kenbaar te maken. Er werd welwillend op gereageerd, men bezocht Kampen, Gerhardt leidde haar gasten rond en de zorgen drongen ook door op provinciaal en gemeentelijk niveau.

In 1949 schreef Gerhardt over het riviertje het Ganzendiep, waar oude kalkovens stonden die bedreigd werden: ‘Als men de zaal waar de Nachtwacht hangt inricht als fietsenstalling en het doek voor 2/3 met stopverf besmeert, ziet een kenner nòg wat er onder zit. (…) De kalkovens zijn zulk een Rembrandt. Ze worden schandelijk verwaarloosd, hoewel ze onder Monumentenzorg staan.’

De vergelijking tussen het landschap en het schilderij van Rembrandt is niet toevallig. Ook op andere momenten trok Gerhardt de parallel tussen landschap en kunst. In 1950 stelde ze in een lezing dat vernietiging van het landschap leidt tot geestelijke erosie. In de Nederlandse literatuur van haar dagen zag ze die al terug: de literatuur leek in het uitspreken van de ‘opperste levensvaalheid’ afkomstig uit een niemandsland.

Na verloop van tijd heeft Ida Gerhardt de strijd opgegeven. Het was een baan op zichzelf geworden. Ze viel terug op een ander wapen in de strijd: haar poëzie.

Eén keer vlamde het oude vuur nog op. Dat was in 1989, toen de dichteres 84 jaar oud was. Ze schreef toen een brief aan koningin Beatrix, over natuurbescherming. De brief staat in Courage, een bundeling van Gerhardts brieven. Het is een noodkreet, een document van de eerste orde. ‘U is degene, u is de enige, die door een beroep op het gehele volk de rampzalige mondiale hordenren tot stilstand kunt brengen,’ schrijft Gerhardt aan de vorstin. ‘Ergens zal het toch moeten beginnen, - en waarom niet hier?’

Een adempauze voor het behoud van wat er nog over was, ‘en wat Gods Schepping is’, daar heeft Ida Gerhardt haar beste krachten aan gewijd.

vrijdag 4 januari 2013

Naar Stavoren


Oudejaarsdag 2012. Om half tien zit ik op de fiets. Ik wil de oude kustlijn van de Zuiderzee volgen, ruwweg van Vollenhove tot Stavoren. De wind is krachtig en dat maakt het er alleen maar aantrekkelijker op. Zuidwest, in het IJsselmeergebied hard tot stormachtig, hebben de weerberichten waarschijnlijk gemeld. Het is grijs: oudejaar zoals het hoort te zijn.

Om half een rijd ik over de dijk langs Baarlo, boven Blokzijl, en opeens vraag ik me af of hier Pieter Nouwen niet begraven is. Baarlo is een buurtschap met begraafplaats. De kapel die er ooit stond is verdwenen, maar de doden zijn gebleven. Pieter Nouwen stierf in 2007 na complicaties bij een operatie aan niets meer dan een gebroken been – een illustratie bij het motto van Thomas a Kempis dat Nouwen had meegegeven aan zijn verhalenbundel De god in de machine: dat de mens in niets op deze wereld zijn vertrouwen kan stellen.

Inderdaad, Nouwen ligt in Baarlo. Op de grafsteen staan dezelfde woorden als in zijn rouwadvertentie. ‘Doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen’. Dat komt uit psalm 143.  Nu ik toch een pet op heb, lijkt het me passend om hem af te nemen. De hoge bomen en de wind maken het geluid dat ze moeten maken. Het landschap is leeg, er zit wat regen in de lucht.

Hoe angstig waren de mensen hier toen er aan de andere kant van de dijk nog geen Noordoostpolder lag, toen er in het noorden nog geen Afsluitdijk was aangelegd? Toen hier in januari 1892 Jan de Dood werd begraven, de laatste schoolmeester van Nederland, het vlek waar Nouwen sinds 1984 woonde?

Het waait zo hard dat twee nietsvermoedende jongetjes het vuurwerk dat ze in de sloot willen gooien voor mijn voeten zien ontploffen. Dat is in Kuinre. In Lemmer wordt de koffie letterlijk het bekertje van mijn thermosfles uitgeblazen. Stavoren is nog ver en het wordt nu bikkelen tegen de wind in.

Bij Tacozijl ligt midden in de polder een kleine Joodse begraafplaats. Nijemirdum, Oudemirdum. Er zijn momenten dat ik me afvraag wat ik hier doe. Op een boerenerf zijn jongens met melkbussen in de weer. De lucht is egaal grijs geworden en het spettert wat. Mythisch aandoende  namen: Warns, het Mirnser klif, het Rode klif – voor lezers van Jacob van Lenneps De roos van Dekama oude bekenden. ‘Leaver dea as slaef,’ zeggen de Friezen op de oude zwerfkei die op het Rode klif herinnert aan de slag bij Warns. Liever dood dan slaaf.

Rond drie uur komt Stavoren in zicht. Ik ga de dijk op, eet een oliebol en kijk uit over het water, dat vandaag om de vrolijke stemming te benadrukken de kleur heeft van melkchocolade. Schuimkoppen en schuimslierten. Ertussen vlakken groengrijs. Het is niet heel woest, maar het is grimmig. De zee schreeuwt hier niet maar gromt.

Naargeestiger dan Stavoren zal het vandaag niet worden. Rond vier uur wordt de wereld donkerblauw, het stationnetje is leeg, oplettende jongelui hebben geprobeerd de kaartautomaat en het wachthuisje met vuurwerk op te blazen. Gelukkig is de mevrouw in de SOS-paal zo vriendelijk om de vertrektijd door te geven. 16.23 naar Leeuwarden, via Koudum-Molkwerum, Hindeloopen, Workum, IJlst, Sneek, Sneek-Noord en Mantgum. 

vrijdag 22 juni 2012

Hongerige behoeftes


In de wonderlijke roman Oliebol (circa 1890) van Wilhelm Raabe keert een in Zuid-Afrika rijkgeworden boer terug naar de streek waar hij geboren is, om een jeugdvriend op te zoeken. In het ‘door de noden van talloze millennia versleten, uitgeloogde Europa’ hervindt hij de frisheid van de natuur en de ongereptheid van zijn geboortegrond, waar alles bij het oude gebleven is. Helaas - niet alles.

Ook Raabe leefde in de era van de Vooruitgang en zoals men weet is dat een buitengewoon gulzige godheid. Alles wat hij onderweg tegenkomt slokt hij op, om een spoor van vernieling achter te laten. Wie in treurnis achterblijft krijgt een paar zoethoudertjes toegeworpen.

Onze wandelaar in Oliebol ontdekt dat naast de weg waar hij loopt een vennetje (‘of eigenlijk een moeras’) verdwenen is. Het heeft plaatsgemaakt voor een ‘min of meer vruchtbaar aardappellandje’. Het is in de roman aanleiding voor enkele mistroostige overpeinzingen over de vlinders, planten, kevers, slakken die verdwenen zijn, en over de geurenrijkdom die pijnlijk wordt gemist. Conclusie: ‘Ze hadden het moeten laten waar ie was’.

Wat zijn het voor mensen, die de knie voor Vooruitgang niet gebogen hebben? Wereldvreemde nostalgici? Nee, het zijn mensen die willen dat de wereld blijft zoals ze is, omdat ze erin thuis zijn geraakt. Ze kennen de schaatsenrijders, het kikkerbeet en de rietgors en die willen ze niet meer kwijt. De Baälpriesters snappen dat niet, want die zien alleen maar stinkend (wat nou geurig!) water met lastige muggen en soortgelijk ongerief, en daar kunnen ze niets mee. Want daar gaat het om, dat je er iets mee kunt.

Oliebol is voor mij een vaste referentie geworden als er weer eens wat landschappelijk schoon het veld heeft moeten ruimen. En nu is er bij ons in de buurt een onbenullig trapveldje verdwenen. Er stonden twee oude, maar degelijke doeltjes op. De grasmat was hobbelig en op sommige plaatsen zag je meer grond dan gras. Er stond een hegje omheen dat er niet uitzag. Ook was er een houtwal. Niks bijzonders, maar je kon er na een storm nog wel eens een flinke tak voor de kachel weghalen. Op het veld kon je voetballen, tussen de struiken konden de kinderen zich verstoppen. Of bladeren verzamelen, of boompje klimmen, of wat ze ook maar bedachten. Het was een trapveldje van niets, maar het was veelzijdig en prikkelde de verbeelding.

Wat er nu voor in de plaats komt? Parkeerplaatsen en woningen geloof ik. En wat het alternatief is? Een Cruyff Court met kunstgras, dat nog het meest wegheeft van de binnenplaats van een gevangenis. Alleen het prikkeldraad ontbreekt.

Eduard, de wandelaar in Oliebol, mist later op zijn route ook een haagbeuk. ‘Hij was net als de amfibiotoop aan de ‘bodemverbetering’ ten offer gevallen. Hij had waarschijnlijk voor de hongerige behoeftes van de huidige tijd te veel schaduw op het akkerland geworpen of zijn wortels te ver in de ondergrond ervan uitgebreid.’

Eduard moet zich maar neerleggen bij het verlies. Er zit ook voor ons niets anders op. Met het verloren gaan van een lapje bestemmingsplanloze grond is er ook weer wat ruimte voor de verbeelding verdwenen.

vrijdag 28 oktober 2011

Hector aan de zegewagen

Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 28 oktober 2011.


Met een dunne scherpe stem leest Vasalis haar dankwoord voor. Ze neemt de P.C. Hooftprijs 1982 in ontvangst. Is haar werk, zoals nogal eens wordt beweerd, typisch vrouwelijk? Jazeker, reageert ze ironisch: het is typisch vrouwelijke poëzie, ‘die zich bezig houdt met de kleine dingen van het leven, namelijk de natuur, kinderen, ziekte, ouderdom, dood en God en meer van deze futiliteiten.’
Het IKON-programma Profiel bood vorige week, in het kader van een ‘biografie’, beelden en geluidsopnamen van de publiciteitsschuwe dichteres. Het was voor een tv-programma niet slecht. Wie meer over Vasalis als mens te weten wil komen, zou ik – naast of voor de biografie van Maaike Meijer – aanraden haar briefwisseling met uitgever Geert van Oorschot uit 2009 door te nemen.


Ik pakte haar werk weer eens uit de kast: drie bundels plus één postume bundel, nog geen tweehonderd bladzijden Verzamelde gedichten. Bladeren in Vasalis doe je zelden vergeefs, is mijn ervaring. Er zijn regels waar ik niet zo van houd (‘twee koopren kelen weenden’, ‘wijl men om het bestaan niet wenen moet’) maar meestal vind je wel iets nieuws, iets wat onovertrefbaar scherp is gezien en geformuleerd.
Het komt vast doordat het uitzicht vanuit ons huis eerder dit jaar onherstelbaar werd verbeterd, dat ik ditmaal bij ‘Aan een boom in het Vondelpark’ bleef steken. De dichter zag een jaar of zestig geleden wat ik aan de overkant van onze singel zag; zij vond woorden en beelden voor het gevoel van ongerijmdheid dat me bevangt als ik terugdenk aan de machteloze trots van de omzakkende esdoorns.


Er is een boom geveld met lange groene lokken. 
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind. 
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.


Daar is geen woord Frans bij. De lokken en het zuchten vermenselijken de boom. Het groen van de lokken en de zomerwind tonen zijn vitaliteit. Klinkt het woord ‘kar’ hier verachtelijk?


De tweede strofe gaat over de vernedering die de boom wordt aangedaan:


O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen, 
met slepend haar en met de geur van jeugd 
stromende uit zijn schone wonden, 
het jonge hoofd nog ongeschonden, 
de trotse romp nog onverslagen.


De boom achter de kar, dat is Hectors lijk achter Achilles’ wagen: een trotse strijder smadelijk door het stof gesleept. Een prooi, zoals moeder Hekabe het bij Homerus zegt, van de dood en het noodlot. Ilias, boek 22: Zeus neemt de gouden weegschaal, legt in de schalen het lot van de smartelijke dood van Hector en Achilles – ‘De noodlotsdag van Hector daalde omlaag en zonk naar de Hades.’


Vasalis wist het: over de natuur dichten is, als je het goed doet, niet futiel. Het gaat in dit gedicht ook over de dood en het noodlot, over trots en machteloosheid, over schande en compassie.
Door de verbeelding – in dit geval letterlijk de beeldspraak – kijgt onze ervaring diepte, doen bomen ons denken aan mannen in hun kracht en mannen in hun kracht gaan ergens in ons onbewuste verwijzen naar trotse bomen. Trots maar machteloos. Achilles’ lans is nu een snerpende kettingzaag.

donderdag 30 december 2010

Ontaarde cultuur

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 30 december 2010


Er is te veel dat als een schaduw heenvliegt. Uren, dagen, maanden en jaren doen het en daar kunnen we weinig aan veranderen. Maar anno 2010 worden ook de sporen uitgewist die ons aan die heengevlogen tijd herinneren.

‘Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid,’ kon de Prediker nog zeggen in de onherziene Statenvertaling. Nu lijkt het devies: het ene geslacht gaat en het andere komt en laten we de aarde ook een handje helpen.

Ik ga het hier niet hebben over verdwijnend oerwoud, stervend koraalrif of smeltend poolijs. Ik denk alleen maar aan die boeren in Zeeuws-Vlaanderen – de streek waar ik geboren ben en getogen – die begin deze maand in het VPRO-programma Tegenlicht aan het woord kwamen.

Het ging erover wat we met krimpregio’s in Nederland aan moeten; in dit geval Zeeland. Allerlei mogelijkheden passeerden de revue. Groeien, denken politici in de provincie, industrie, attracties, vakantieparken. Desnoods vijfsterrenrusthuizen voor vermogende bejaarden.

Maar die boeren wilden geloof ik niets anders dan gewoon door blijven boeren. Geen idealistische verhalen, geen kortzichtig winstbejag. Sukerpeeën en èrepels telen.

Helaas: ze leven in de schaduw van de ontpoldering. De Westerschelde moet vrij spel krijgen, de dijk wordt doorgestoken. Als de rivier ten bate van de Antwerpse economie is uitgebaggerd, lijdt de natuur schade en dat moet gecompenseerd worden. Boeren mogen ervoor opdraaien. Natuurlijk worden ze schadeloos gesteld. Maar het ging niet over geld. Het ging over hun grond en over boederijen die er al langer dan mensenheugenis staan.

Ze waren verontwaardigd, maar ze uitten hun verontwaardiging ingehouden. Pretentieloosheid kan een deugd zijn, bleek weer maar eens.

Moet alles dan blijven zoals het was? Het probleem lijkt me vooral dat, als de natuurorganisaties hun zin krijgen, niets blijft zoals het was. Oude patronen van sloten en wegen en dijken, oude boerenhoeven (steeën, noem je die als Zeeuws-Vlaming), de vormen van akkers en weilanden – het zijn evenzovele verwijzingen naar het verleden. Ze laten zien dat we niet in een niemandsland rondlopen, ze roepen de geslachten die gingen in herinnering en ze nemen ons daardoor op in een verband dat onze tijdelijkheid overstijgt. Generaties komen en gaan, maar de aarde staat in der eeuwigheid. In de zogenaamde nieuwe natuur is niet de natuur het probleem, maar het nieuwe.

De dichter C.O. Jellema, geen Zeeuw maar een Groninger, heeft in zijn Verzameld werk een gedicht ‘Oudjaarsdag’, waarin hij beschrijft hoe er bij alle vergankelijkheid één ding hetzelfde blijft: het uitzicht op de grond waarin zijn voorouders begraven liggen. In een ander gedicht wenst hij dat ze bij hem waren, zij ‘die niet meer zijn – hun vlakke land hetzelfde, / alsook hun hemel die dat overwelfde’. Dan moet het land wel herkenbaar blijven als hun land. Tast je dat wezenlijk aan, dan wordt mensen de kans ontnomen om zich te verbinden met de wereld van hun voorouders.

Met een niet eens heel flauwe maar wel enigszins beladen woordspeling zou je een cultuur waarin men dat gebeuren laat ontaard kunnen noemen.