Posts tonen met het label Ida Gerhardt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ida Gerhardt. Alle posts tonen

dinsdag 11 september 2018

Onkruid


Mijn RD-column van 9 juni 2018

Tuinieren doe je om je hoofd leeg te maken, zegt men wel eens. Zou het echt? Het lastige is dat je hoofd – mijn hoofd – helemaal niet leeg raakt tijdens het tuinieren. Een bont geheel van kleuren en vormen, gezang, gezoem en de geur van blad en bloem dringen zich op aan de tuinier. Nog los van allerlei zinrijke gedachten. Staat daar nu óók nog een brandnetel? Moet die roos nog opgebonden worden? Zal ik de guldenroede er nu maar eens echt definitief uithalen? Werkelijk nadenken lukt alleen bij werk dat geen denkkracht vereist, zoals onkruid tussen de tegels weghalen. En dan nog: het mes dat je hanteert, graaft dieper dan je gedachten.

Als er dan al iets als een echte gedachte komt, dan is dat meer een soort refrein, een waarheid die dienst doet als een bezweringsformule - zoals, in mijn geval: ‘Het onkruid wint het laatst gevecht.’ We houden die regel hier graag voor aan al te secuur tuinierende familieleden, maar ook voor mijzelf is hij een nuttig medicijn.

Want het is waar: het mos is volgend jaar gewoon weer terug, de winde zal weer wapperen boven de andere borderplanten, de paardenbloem zal er zijn in het gazon. (Moge de Japanse duizendknoop aan ons voorbijgaan!) We kunnen ze bestrijden, maar niet overwinnen; terugdringen, maar niet vernietigen. En dat is een wetenschap die bescheiden maakt, die voorkomt dat je naar perfectie streeft, naar een utopie die je komt te staan op levenslange kramp.

‘Het onkruid wint het laatst gevecht.’ Ida Gerhardt schreef de regel, en het gedicht waarin hij staat, heet ‘Lof van het onkruid’. Beton en asfalt, de stoomwals, een bom – ze staan in dit gedicht voor de mens die zijn omgeving probeert te knechten. Maar het lukt niet. Wij hebben niet het laatste woord.

Achter de stoomwals valt weer zaad: / de bereklauw grijpt om zich heen. / En waar een bom zijn trechter slaat / is straks de distel algemeen.

Het gedicht lijkt met nadruk naar het socialisme te wijzen (waarbij het onkruid op ‘millioenen’ ontrechten slaat), maar daar trek ik me niet zoveel van aan. Gerhardt zingt de lof van het onkruid, en zelfs betrekt ze daar de Schepper in van al wat leeft:

Godlof dat onkruid niet vergaat. / Het nestelt zich in spleet en steen, / breekt door beton en asfalt heen, / bevolkt de voegen van de straat.

Tuinieren om je hoofd leeg te maken? Misschien dan toch: het is een les in bescheidenheid, in het temperen van ambities. Het geeft een besef dat we de dingen niet naar onze hand kunnen zetten. Het wijst een mens zijn plek.


vrijdag 12 december 2014

Holland of niemandsland

Mijn RD-column van 6 december 2014

Als lezer van het werk van Ida Gerhardt wist ik dat ons landschap haar aan het hart ging. Talloos zijn haar lofzangen op de Hollandse ruimte, tarijk ook de klachten over de aantasting van het landschappelijk schoon. Vooral in de bundel Kwatrijnen in opdracht is dit hét thema.

Wat ik niet wist, is dat Gerhardt zich ook buiten haar poëzie met de bescherming van het landschap heeft bezig gehouden. In Tegen de keer, de recent verschenen Gerhardt-biografie door Mieke Koenen, blijkt dat ze zich vooral in haar tijd in Kampen (1939-1951) actief heeft ingezet. Uitbreidingsplannen van de stad Kampen, mogelijke vestiging van industrie langs de IJssel, plannen voor een spoorlijn van Kampen naar de Noordoostpolder: Ida Gerhardt klom in de pen om via landelijke instanties haar zorgen kenbaar te maken. Er werd welwillend op gereageerd, men bezocht Kampen, Gerhardt leidde haar gasten rond en de zorgen drongen ook door op provinciaal en gemeentelijk niveau.

In 1949 schreef Gerhardt over het riviertje het Ganzendiep, waar oude kalkovens stonden die bedreigd werden: ‘Als men de zaal waar de Nachtwacht hangt inricht als fietsenstalling en het doek voor 2/3 met stopverf besmeert, ziet een kenner nòg wat er onder zit. (…) De kalkovens zijn zulk een Rembrandt. Ze worden schandelijk verwaarloosd, hoewel ze onder Monumentenzorg staan.’

De vergelijking tussen het landschap en het schilderij van Rembrandt is niet toevallig. Ook op andere momenten trok Gerhardt de parallel tussen landschap en kunst. In 1950 stelde ze in een lezing dat vernietiging van het landschap leidt tot geestelijke erosie. In de Nederlandse literatuur van haar dagen zag ze die al terug: de literatuur leek in het uitspreken van de ‘opperste levensvaalheid’ afkomstig uit een niemandsland.

Na verloop van tijd heeft Ida Gerhardt de strijd opgegeven. Het was een baan op zichzelf geworden. Ze viel terug op een ander wapen in de strijd: haar poëzie.

Eén keer vlamde het oude vuur nog op. Dat was in 1989, toen de dichteres 84 jaar oud was. Ze schreef toen een brief aan koningin Beatrix, over natuurbescherming. De brief staat in Courage, een bundeling van Gerhardts brieven. Het is een noodkreet, een document van de eerste orde. ‘U is degene, u is de enige, die door een beroep op het gehele volk de rampzalige mondiale hordenren tot stilstand kunt brengen,’ schrijft Gerhardt aan de vorstin. ‘Ergens zal het toch moeten beginnen, - en waarom niet hier?’

Een adempauze voor het behoud van wat er nog over was, ‘en wat Gods Schepping is’, daar heeft Ida Gerhardt haar beste krachten aan gewijd.

vrijdag 14 september 2012

Oppermachtig licht


 Twee weken geleden ging het op deze plaats over de vuurtoren van Westkapelle en over de roman De lichtwachter van Pieter Nouwen, waarin prachtige bladzijden staan over Walcheren en over de Westkapelse vuurtoren. Ik meende dat het licht van de toren voor de hoofdpersoon van De lichtwachter een houvast was in angstige nachten. Inmiddels heb ik de bewuste passage weer kunnen doornemen – een enigszins kwellende ervaring als je vakantie net voorbij is – en met die angstige nachten blijkt het nogal mee te vallen. Wat blijft staan is dat het licht de gedachte aan God oproept: net als Hij is het betrouwbaar en alomtegenwoordig. De hoofdpersoon van De lichtwachter ervaart het vuurtorenlicht in zijn slaapkamer als een bewaarengel, die laat merken dat hij bij hem is.

Maar de toren heeft in De lichtwachter ook een andere kant: vooral van dichtbij is hij vreeswekkend. ‘Toen je de eerste keer in het donker onder hem stond, sloeg je hart op hol van ontzag. Je keek omhoog tegen de torenmuur en die leidde je blik langs een duizelig makende heirbaan van bakstenen naar iets dat onmogelijk scheen.’ Het is vooral de stilte waarin het licht wentelt die imponeert. Misschien kun je hier spreken van het soort ervaring dat door Rudolf Otto als numineus is aangeduid: fascinerend en beangstigend ineen.

Er is in de Nederlandse literatuur nog een vreeswekkende vuurtoren te vinden. Dat is de Brandaris, in een gedicht van Ida Gerhardt. Het toneel is uiteraard op Terschelling, en wel in het huis dat Gerhardt noemt ‘de duizend vrezen’. Het is een huis - in werkelijkheid hotel Oepkes – waar men waakt en niet slaapt; er is een ‘oppermachtig licht’ dat er zijn kruisen slaat.

Met interval van donkere seconden / waarin de branding zwaarder schijnt te ruisen / verschijnt een mene tekel op het laken: / en wat geweest is, het wordt zwart bevonden.

Dus ook hier dringt een vuurtorenlicht een slaapvertrek binnen. Maar niet koesterend of geruststellend, en zelfs niet alleen ontzagwekkend. Het licht is hier als de hand in het Bijbelboek Daniël, die het oordeel ‘gewogen maar te licht bevonden’ op de muur schrijft. Hier wordt iemand aan zijn schuld ontdekt; we zijn in de sfeer van de schrikwekkende tekst uit psalm 90, waar staat dat onze heimelijke zonden in het licht van Gods aangezicht worden gesteld.

Toch eindigt het gedicht ‘Onder de Brandaris’ niet zo zwart als het begint. De slotregel luidt:

Hij doopt met licht. Ik waag het hem te vrezen.

Gedoopt worden is sterven en opstaan, schuldig blijken en vergeving ontvangen. Gedoopt worden met het licht van een vuurtoren, dat zal ook wel betekenen: gelouterd worden. Zo waagt de ikfiguur het om hem te vrezen. Vrezen is een woord waarin de paradox van afstand en nabijheid is opgelost.

Een vuurtoren is kennelijk een bijzonder sprekend teken van het goddelijke – een mysterium fascinans et tremendum, net als de Allerhoogste zelf.