Posts tonen met het label naamgeving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label naamgeving. Alle posts tonen

donderdag 22 februari 2018

De solovoornaam

Mijn RD-column van 3 februari 2018

Het valt me de laatste jaren op dat mensen steeds vaker worden gereduceerd tot hun voornaam. Als docent zie ik dat leerlingen het over ‘Rosanne’ hebben en niet over Hertzberger, en over ‘Arthur’ als ze Japin bedoelen. Ook als het over auteurs gaat die al even uit de tijd zijn duikt de solovoornaam op: Haasse wordt Hella genoemd en Bordewijk heet Ferdinand. Dat is geen daad van rebellie. De zeventienjarige die het over Hella en Arthur heeft, is in zijn wereld niet anders gewend.

Mensen duiden ook zichzelf steeds vaker aan met alleen de voornaam. We kennen het allemaal van voorstelrondjes: ‘Hallo, ik ben Mark!’ en ‘Hi, ik ben Suzan!’ Ook hiervoor geldt: iedereen doet het, en het lijkt al snel pedant als je er niet aan meedoet. De vraag is wat er precies gebeurt op het moment dat we onze namen halveren door onze achternaam te amputeren.

Een prachtig essay over naamgeving, geschreven door Amy en Leon Kass, in 1995 gepubliceerd in het magazine “First Things”, bracht me op ideeën over een antwoord op deze vraag. Het echtpaar Kass schrijft over het fraaie midden dat we in ons systeem van naamgeving gevonden hebben tussen de uitersten van collectivisme enerzijds en individualisme anderzijds. Aan de ene kant is daar onze voornaam, die we van onze ouders gekregen hebben en die onze individualiteit onderstreept. Aan de andere kant toont onze achternaam dat we individuen zijn in de context van een familie, niet alleen ‘families of origin’, maar ook ‘families of perpetuation’: met de blik naar het verleden, maar ook naar de toekomst.

Wie zichzelf of een ander reduceert tot een voornaam, heeft kennelijk de behoefte om mensen eerst en vooral, en misschien wel uitsluitend, als individuen te zien, los van de context van hun familie. De andere suggestie die ervan uitgaat is dat het onderscheid tussen het privé- en het publieke domein er niet toe doet. Populair gezegd: ik ben altijd en overal mezelf.

In dit verband noteren Amy en Leon Kass de pijnlijke signalering dat in het verleden juist slaven van hun achternaam en daarmee van een echt privéleven werden beroofd. Het verlies van hun achternaam was een aanwijzing voor het verlies van hun waardigheid. Wie in de publieke sfeer geen achternaam heeft, is ook daar een privépersoon - en dat komt erop neer dat zo iemand het zonder privéleven moet doen. Het gebruik van onze voor- én achternaam onderstreept de delicate grens tussen privé en publiek.

Dat maakt het zo bevreemdend om over Hella, Arthur en Ferdinand te lezen. Hetzelfde geldt voor de voorstelrondjes met de voornaam alleen. We hebben immers niet met Haasse, Japin en Bordewijk geknikkerd. En of we met elkaar gaan knikkeren, dat weten we toch zeker niet al bij de eerste kennismaking.




zaterdag 28 februari 2015

Anders vernoemen als symptoom

Opiniestuk in het Reformatorisch Dagblad, februari 2015

Ook in christelijke kring wordt er met voornamen gerommeld, meldde het RD (15 januari). Het bericht volgde op de bekendmaking van de populairste namen van 2014 door de Sociale Verzekeringsbank (SVB), waaruit bleek dat Daan en Sophie de toppers van 2014 waren. (link)

Goed vernoemen is een zeldzaam verschijnsel aan het worden, ook onder christenen. In dit stuk benader ik de veranderde vernoemingspraktijk in christelijke kring als een symptoom. De vraag is: waarvan?

Afgaande op wat ik om me heen zie zijn er op dit moment onder christenen drie veelvoorkomende naamgevingsprincipes.

1) Eenvoudigweg een naam geven die je mooi vindt. In de praktijk gaat het meestal om een naam die in de mode is (Daan en Sophie). Soms is originaliteit het motief om een naam te verzinnen die niemand anders heeft; treurige voorbeelden daarvan staan in de berichtgeving van de SVB. Vreemd genoeg willen ouders vaak origineel zijn, maar blijken ze toch tamelijk massaal dezelfde exotische namen te geven.

2) Een Bijbelse naam geven, waarbij er geen relatie is met de namen die in de familie gebruikelijk zijn. Ouders geven de naam vanwege de betekenis, of omdat ze de Bijbelse figuur die hem droeg, een goed voorbeeld vinden. Een en ander is vaak ook in de geboorteberichten te lezen. De wens om origineel of bijdetijds te zijn, kan hier overigens ook een rol spelen.

3) In de doopnaam vernoemen, maar een roepnaam kiezen die daar los van staat. Op het geboortekaartje prijken de namen van opa of oma als een papieren eerbetoon. Cornelis Willem, we noemen hem Daan. Of, als er wat met letters gehusseld is, we noemen hem Sem. Het gewone verband tussen doop- en roepnaam – de roepnaam is een korte of handige versie van de doopnaam – is afwezig.

In de praktijk komen er natuurlijk allerlei mengvormen voor van deze varianten, maar dit lijken me de drie belangrijkste categorieën. Er wordt niet vernoemd, er wordt vernoemd naar iemand buiten de familie, of er wordt halfslachtig vernoemd.

Wat zegt de veranderde naamgevingspraktijk over christenen anno 2015? In de kern is er dit aan de hand: dat hun oriëntatiepunt ergens anders is komen te liggen. Ze richten zich minder op hun voorgeslacht dan eerdere generaties deden. In de plaats daarvan is een nadrukkelijker oriëntatie op de eigen tijd gekomen, of op Bijbelse tijden – dan wel een combinatie van die twee.

Halfslachtige vernoemers verwijzen alleen op papier naar opa of oma – maar de grootouder wordt in elk geval nog genoemd. Niet-vernoemers kiezen hun oriëntatiepunt veelal horizontaal, in de eigen tijd. Modes en trends spelen een rol. Buiten christelijke kring kunnen sporthelden of muzikanten de identificatiefiguren zijn (zoals in de middeleeuwen trouwens heiligen dat waren). Onder christenen zijn er net zo goed namen ‘die je wel geeft’ en ‘die je niet (meer) geeft’.

Interessant zijn de vernoemers naar Bijbelse figuren. Daarmee bedoel ik niet Bijbelse figuren die al eeuwenlang vernoemd worden (denk aan namen als Pieter, Johannes, Abraham, Izak), maar originelere vondsten. Deze vernoemers laten, denk ik, een verandering zien onder de oppervlakte van de gereformeerde gezindte die zelden expliciet benoemd wordt, maar die juist op dit punt aan de oppervlakte komt. Ik bedoel de omslag van een traditionele, door onze directe voorouders bepaalde levenspraktijk en spiritualiteit, naar een levenshouding die zich aan andere bronnen wil laven.

Ik vermoed dat dit verschijnsel geïnterpreteerd mag worden als een tot in de naamgeving doorgevoerde hervorming, met het ‘sola scriptura’ als hoogste principe. Het lijkt een poging om over de geschiedenis heen te springen vanuit de wens om in de Bijbel alleen een referentiepunt te vinden. Griekse of Hebreeuwse namen komen in plaats van Nederlandse. Met enig recht mag deze vernoemingspraktijk reformatorisch genoemd worden, zij het de minst katholieke en historisch genormeerde vorm van protestantisme.

Een aanwijzingen voor bovenstaande interpretatie vind ik in de observatie dat kinderen traditionelere namen hebben in gemeenschappen die hecht en geïsoleerd zijn. Als mensen hun voorouders in hun léven hoog houden, doen ze het blijkbaar ook in de namen van hun kinderen. Urk mag hier met ere genoemd worden, en ook Zeeland, waar volgens de SVB namen als Pieter, Jan en Cornelis op nummer één staan.

Ik vraag me weleens af of de massale belangstelling voor genealogie en stamboomonderzoek niet ooit een wending terug naar de oude vernoemingspraktijk zal brengen. In mijn eigen voorgeslacht zie ik in één tak de namen Jan en Passchier en Reinier vanaf in elk geval 1642 met de regelmaat der generaties terugkeren. Wie zo’n lijn voor zich ziet, kan het toch niet over zijn hart krijgen om er eigenhandig een punt achter te zetten?

Chesterton heeft geschreven over de ‘democratie van de doden’. Wat mij betreft beschouwen we het als een eer om hen die ons voorgingen te laten meebeslissen over ons leven. Je zou het zelfs als een vorm van arrogantie kunnen zien om de overledenen hun invloed te ontzeggen – ook als het gaat over de namen die onze kinderen krijgen.


vrijdag 21 december 2012

Het namenfestival


Het akelige van de globalisering is dat ook betreurenswaardige tendensen een universeel karakter krijgen. In het magazine The Atlantic was begin deze maand een artikel te lezen over de vrije val van de naam Mary in de VS. Mary was vele decennia de meest aan meisjes gegeven naam, maar staat nu niet eens meer in de top honderd: op positie 112 namelijk.

Philip Cohen, auteur van het artikel, ziet individualisering als belangrijkste oorzaak. Mensen hebben tegenwoordig een sterke behoefte om af te wijken van wat ze als standaard ervaren, een drang tot originaliteit, tot anderszijn. De extended family, de religie en andere instituties die de neiging kunnen voeden om je boreling een meer gebruikelijke naam te geven – ze zijn veel van hun invloed kwijtgeraakt.

Niets is heilig voor deze hang naar het ongewone, en dus ook de namen van kinderen niet. Dat is in de VS niet anders dan in Nederland. Cohen zag kleinkinderen van Mary’s voorbijkomen met namen als Mazie, Ja’nae en Asani. Er worden – en dat geldt waarschijnlijk ook voor Nederland – veel meer verschillende namen gegeven dan pakweg zeventig jaar geleden. Originaliteit is niet zo moeilijk. Een klinker hier veranderen, een medeklinker daar, en daar gaat weer iemand met een originele naam het leven in.

Toch ontsnappen ook de naamkunstenaars niet aan modes en trends. Hun kinderen zullen er ooit achter komen dat ze dezelfde naam hebben als enkele van hun klasgenoten – zie de Nederlandse populariteit van Emma, Julia, Sophie; van Lucas, Daan en Sem. In andere milieus zullen de Jaydens en Kayleighs door hetzelfde lot getroffen worden. Als originaliteit niet belachelijk is, dan blijkt ze gewoon onmogelijk.

Nederlandse christenen, van wie je zou verwachten dat ze gesteld zijn op hun tradities, doen vrolijk mee aan het namenfestival. De geboorteberichten in RD en ND spreken voor zich. Minstens zo lezenswaard zijn de overlijdensadvertenties. Hoe zeldzaam worden de grootouders die vernoemd zijn volgens de regelen der kunst.

Volgens Cohen streven ook Amerikaanse christenen naar originaliteit in de naamgeving. Zo werd de naam Nevaeh in de VS in 2011 twee keer zo vaak gegeven als Mary. Ja, u rilde terecht: dat is ‘heaven’ achterstevoren gespeld. Over enige tijd hebt u een tweemaal zo grote kans om onder Amerikaanse jongeren een Nevaeh te ontmoeten dan een Mary. Niets hemels aan.

Deze week was Maastrichtenaar Johannes Gerardus Joseph Maria (60) in het nieuws. Hij zat zo in de knel met zijn verleden en zijn naam dat hij rechterlijke toestemming heeft gevraagd (en gekregen) om zijn naam te veranderen in Jo. Zeer katholieke ouders, een opgedrongen geloof, een mislukte priesteropleiding, psychische problemen. Zijn namen verwezen hem voortdurend naar het ongeluk dat hij achter zich had en bij zich droeg.

Nu maar afwachten hoe lang het duurt tot de eerste psychische problemen wegens afgedwongen originaliteit openbaar komen. Of zien we die al om ons heen? Al die mensen die zo naarstig op zoek zijn naar zichzelf – waarom zijn die eigenlijk op zoek naar zichzelf?

vrijdag 11 mei 2012

De genealogie van Edward Schneider

Column, eerder gepubliceerd in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad op 11 mei 2012.

What’s in a name? Voor de verliefde Julia in Shakespeares Romeo en Julia is dat duidelijk: niets. Een naam is een willekeurig etiket op een persoon. Omdat Romeo toevallig Montague heet zou hij haar vijand zijn en is een huwelijk uitgesloten? Dat is maar flauwekul. In de Nederlandse vertaling van Burgersdijk: Wat zegt een naam? Dat wat een roos heet, geurde/ Als het een and’re naam had, even zoet;/ Zo zou ook Romeo, als hij anders heette,/ Zijn eigen volle, dierb’re waarde houden.

Zo blijkt maar weer dat verliefdheid niet bijdraagt aan een afgewogen oordeel. Natuurlijk is een naam meer dan een etiket. Romeo minus zijn naam is zeker niet de complete Romeo. Een naam drukt (net als een dialect) verbondenheid uit met de streek waar je vandaan komt. Hij verwijst mensen naar de relatie tot hun familie en voorgeslacht. Overigens geldt dat tegenwoordig vooral voor achternamen, sinds Nederlanders zo fijn creatief geworden zijn met voornamen.

Zelfs bij romanpersonages valt er een soort genealogie uit hun naam af te leiden, zo bleek me onlangs. Wie de boeken van Pieter Nouwen leest, komt tal van naamgrapjes en dubbele bodems tegen. Zie het namenspel in De pias van het Pentagon (president Uzziah Push, premier Bekenlande), neem Orazio Gentileschi uit De god in de machine of Pedro de Luna uit De lichtwachter: bijna alle namen in Nouwens boeken, zelfs van bijfiguren, zijn geladen met betekenis of knipogen naar de realiteit.

Extra interessant is de naam van Edward Schneider, de arrogante zanger die in Het negende uur de Christuspartij moet zingen in de Mattheüspassie. Ooit ontdekte ik dat zijn naam een – niet geheel perfect – anagram is van de naam Richard Wagner, de componist wiens artistieke opvattingen Schneider deelt, en die net als Schneider op vrijdagmiddag om drie uur gestorven schijnt te zijn.

Tot voor kort dacht ik dat Nouwen had zitten puzzelen met de naam van Wagner, om er een snijdende variant op te maken die past bij het hoogmoedige karakter van zijn hoofdpersoon.
Inmiddels vermoed ik dat het anders is gegaan. Hier in huis wordt De naam van de roos gelezen – en wie schetst onze verbazing als op pagina 12 de naam Edouard Schneider blijkt te staan. Hij is de auteur van Les heures bénédictines (Parijs, 1925; een titel die je overigens niet direct in de bibliografie van Nouwens zanger verwacht). Eco speelt graag intellectuele spelletjes en verwijst soms naar niet bestaande bronnen, maar het boek van Edouard Schneider bestaat echt, aldus Google. Nouwen speelt graag hetzelfde soort spelletjes als Eco. Het is ondenkbaar dat hij hem niet gelezen heeft. Heeft hij bij Eco deze naam ontdekt en gezien dat de naam van Wagner erin verborgen zat?

Wel ironisch dat een auteur die zo bewust met namen omging op de achterkant van de dvd van de romanverfilming Het negende uur een verkeerde naam meekreeg. Paul Nouwen heet hij daar. Misschien heeft Nouwen er wel om kunnen glimlachen: mag je dan blijkbaar Petrus niet zijn, dan is Paulus in elk geval geen gek alternatief.

[PS: ik werd erop gewezen dat Paul Nouwen directeur van de ANWB was. De naamsbekendheid van deze Nouwen verklaart waarschijnlijk de fout op de dvd. Verder worden Petrus en Paulus in de kerk op één dag gefêteerd. Dat maakt Paulus tot een bij uitstek geschikt alternatief voor Petrus: dezelfde naamdag.]










vrijdag 25 januari 2008

Vernoemen is geen onzin

Het eind van Lukas 1 biedt een fraai inkijkje in het alledaagse leven in Israël. Als het kind van Zacharias en Elisabet geboren is, komen de verheugde buren en familieleden om het kind te besnijden, en ze noemen het Zacharias, naar de naam van zijn vader. Elisabet legt uit dat het de bedoeling is dat haar zoon een andere naam krijgt, maar ze reageren verbaasd: ‘Daar is niemand in uw maagschap die met dien naam genaamd wordt.’ De vader beslist het pleit: Johannes is zijn naam. Lukas benadrukt nog eens de uitzonderlijkheid van het gebeuren, door over de omstanders te schrijven dat ze zich allen verwonderden.

De uitzondering maakt de regel duidelijk. Er zijn uitzonderlijke kinderen en zij krijgen een uitzonderlijke naam. Maar de gewone gang van zaken is dat een kind de naam van zijn vader krijgt, of van iemand anders uit de familie.

Die gewone gang van zaken is nog terug te zien in verschillende Nederlandse streken. Meestal staan die bekend staan als enclaves van behoudzucht, gebieden ingesloten door vreemd grondgebied, Staphorst en Urk bijvoorbeeld. Terwijl elders in Nederland de moderniteit haar zegeningen rondstrooide, hield men daar moedig stand. Het is de vraag in hoeverre dat ook nu nog gebeurt, maar op één terrein is het ongetwijfeld juist. In de naamgeving van kinderen wordt de traditie hoog gehouden, in elk geval tot voor kort. Sommige kinderen hebben namen die het vermoeden wekken oeroud te zijn. Veelal heeft iemand de naam geërfd, van zijn grootvader of haar grootmoeder, of een ander familielid.

Lange tijd was het overal zo, onder alle lagen van de bevolking. Een kind kreeg de naam van zijn grootouders, of van een ander familielid uit zijn voorgeslacht. Elke familie had zijn eigen, al dan niet karakteristieke namen. Soms kon je uit iemands voornaam al enigszins vermoeden uit welke familie of uit welke streek hij afkomstig was.

Met geen traditie lijkt zo radicaal gebroken als met deze. Ouders van nu geven hun kinderen namen waarvan ze denken dat ze die mooi vinden – maar die misschien vooral in de mode zijn. De herkomst ervan is in veel gevallen onduidelijk, soms komt de naam zelfs uit de wereld van sport of amusement. (Zou ook Jaap Stam wel eens vernoemd zijn?) Er zijn ook tijden geweest dat kinderen Adolf of Anton genoemd werden. Nog weer langer geleden, vooral sinds de dertiende eeuw, verwezen de namen naar heiligen. Naamgeving kan voor een historicus uitstekend dienst doen als cultuurspiegel: op wie willen we dat onze kinderen lijken? Van wie verwachten we hun heil?

In andere gevallen is de naam helemaal uit de lucht gegrepen. Ouders in een creatieve bui hebben een naam bedacht die zó origineel is! Dat past natuurlijk bij de onpeilbare uniciteit van hun kind.

Zogeheten bijbelse namen zijn uiteraard niet uit de lucht gegrepen, maar worden gekozen op grond van hun betekenis. Waarom ouders dan juist voor die naam en niet voor een andere kiezen, blijft dikwijls onduidelijk. ‘Mooi’ of ‘aansprekend’ zal vaak het criterium zijn. Het doet oudtestamentisch aan: een bepaalde situatie roept een bepaalde naam op.

Een fenomeen dat vermakelijk zou zijn als er niet zoveel onwetendheid uit bleek, is dat van de namen waarbij gescrabbled is. De ‘doopnaam’ is Willem Cornelis, en, staat er dan blij onder, ‘we noemen hem Sem’. En jawel, het klopt: s-e-m, alle letters staan in de doopnaam! Opa heeft waarschijnlijk een ongemakkelijk gevoel, zeker wanneer hij aan zijn eigen naamgever terugdenkt. Maar dat is niet belangrijk; belangrijk is dat we met onze tijd mee moeten.

Dat naamgeving een zaak van traditie is, die verhindert dat je elke ‘roepnaam’ van elke ‘doopnaam’ zou kunnen afleiden, lijkt plotseling uit het collectieve bewustzijn verdwenen. Of anders gezegd: dat een ‘roepnaam’ niet meer is dan een roepnaam, een verkorte vorm van iemands naam om hem of haar te roepen. Wim is handiger dan Willem. Bovendien betekent Sem iets anders dan Willem of Cornelis.

Wat zou de achtergrond geweest zijn van de traditie dat kinderen vernoemd worden naar hun grootouders? In de eerste plaats vermoedelijk: het uitdrukken van continuïteit, van verbondenheid tussen de generaties. In je kinderen komen je ouders weer tot leven. Wat er dan ook mag veranderen, wat wezenlijk is blijft hetzelfde. Een kind heeft niet in de eerste plaats de roeping om zijn unieke zelf te gaan verwerkelijken, maar om de fakkel voort te dragen. Naamgeving is zo bezien veel meer dan iets bijkomstigs: het drukt uit of we erkennen dat het überhaupt de moeite waard is de fakkel voort te dragen; en daarmee onmiskenbaar iets van de eer die we ons voorgeslacht wel of niet toedragen. Misschien zou het goed zijn om het ook voor jezelf weer als een eer te gaan voelen: dat je de naam van je voorouders mag dragen.

Een ander factor is de identiteit van de enkeling en waardoor die bepaald wordt. De tegenwoordige, rare gewoonte van mensen om zichzelf alleen met de voornaam voor te stellen (,,Hoi, ik ben Koos!’’), moet hier iets mee te maken hebben. Het dragen van een familienaam drukt al uit dat je geen eenling bent, omringd door andere eenlingen, maar dat wie je bent, bepaald wordt door iets wat groter is dan jezelf. Door het vernoemen wordt dat besef alleen maar sterker. Wie naar haar grootmoeder genoemd is, zal zich spiegelen aan haar en is daarmee de drager van iets bovenpersoonlijks. De namen echoën de eeuwen door, zijn een kleine overwinning op de tijd.

Op een andere manier gebeurde hetzelfde toen iemands naam afhankelijk was van de dag waarop hij was geboren. Luther heette niet zomaar Maarten; hij heette zo omdat zijn dagheilige zo heette. In geen geval was je naam uitdrukking van wie je zelf was, of dacht te zijn. Tenzij je ‘de Doper’ zou gaan worden. In de tijd dat de Germaanse namen vervangen werden door heiligennamen, speelde overigens niet alleen devotie een rol. Het was ook een kwestie van status. Weldra nam het vernoemen weer de overhand, net als in de periode van de Germaanse namen.

Hoe is deze omslag, deze breuk met de traditie te verklaren? Het is een symptoom van een veel grotere en verder reikende breuk met de traditie en het verleden. Zelfs bij het geven van bijbelse namen is dat het geval; wel zijn ze gemotiveerd vanuit de betekenis van een naam of het voorbeeld van een bijbelse figuur – maar het valt moeilijk te ontkennen dat daarbij een grote sprong over het voorgeslacht heen genomen wordt. De breuk is er ook dan dus wel degelijk.

Individualiteit gaat boven alles. Ooit was dat een idee van een progressieve elite, nu van jan en alleman. Het staan in een familietraditie lijkt eerder een keuze van de enkeling dan dat het werkelijk zijn identiteit bepaalt. Je zou kunnen zeggen dat de alomtegenwoordige beslommeringen rond ‘identiteit’, ‘missie’ en wat dies meer zij vooral duidelijk maken dat we niet meer weten wie we zijn, of zelfs dat we niet meer zijn wie we zijn. We zijn vervreemd, onthecht, ontworteld.

In feite is hier sprake van een vulgarisering van het romantische idee van de uniciteit van het individu, en zijn verplichting tot authenticiteit. Dat idee was het bezit van wereldvreemde kunstenaars en andere dromers – totdat het in de jaren ’60 gemeengoed werd, en plotseling iedereen ging beseffen dat hij ‘authentiek’ moest zijn, en zijn eigen uniciteit verwerkelijken en waarborgen. Hoe juist of onjuist dat idee ook is, juist je naam geef je niet aan jezelf, en daarom is een naam zeker geen geschikt middel om aan deze ideeën uiting te geven.

Dat de wereld opengebroken is, zal zeker ook van invloed zijn. Technische ontwikkelingen hebben het mogelijk gemaakt dat we niet, of niet alleen, meer binnen natuurlijke verbanden van familie, dorp of streek leven. ‘Netwerken’ zijn ervoor in de plaats gekomen – we scheppen zelf ons milieu. Ook de namen komen van ver, ook de namen kiezen we zelf.

De Canadese filosoof Charles Taylor, van wie onlangs het monumentale Bronnen van het zelf is vertaald, heeft erop gewezen dat het niet alleen voor de gemeenschap, maar ook voor het individu nadelig is wanneer individuele levens niet meer ingebed zijn in gemeenschappelijke kaders. De teloorgang van de tradities op het gebied van naamgeving is een symptoom van het wegvallen van die kaders. Andersom geldt dat juist zoiets eenvoudigs als vernoemen een dergelijk kader – dat van de familie, van het voorgeslacht – benadrukt en daarmee ook in stand houdt. Het is daarom goed dat deze traditie voortgezet wordt. Zelfs het geven van bijbelse namen geeft in de huidige culturele constellatie een verkeerd signaal. Zulke grote sprongen hoeven we niet te maken.

Families, volkeren, kerken: het zijn geen optelsommen van unieke enkelingen die de architect zijn van hun eigen bestaan. We mogen met trots de naam van iemand anders dragen. Niets is natuurlijker dan de verwondering van de buren en familieleden van Zacharias en Elisabet.


(Gepubliceerd in de bijlage ‘Het Katern’ van het Nederlands Dagblad, 25 januari 2008)