Posts tonen met het label liturgie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label liturgie. Alle posts tonen

vrijdag 24 mei 2013

Ontslagen

Sietze de Vries is dus ontslagen als organist van Zuidhorn. Ik dacht dat de vrijgemaakten ter plaatse zo langzamerhand een vip-lounge voor hem zouden gaan inrichten, maar dat liep dus even anders. Nu ben ik aangaande de situatie in Zuidhorn geen ingewijde en daarom wil ik er niet over oordelen. Het lijkt er wel op, afgaande op de berichtgeving, dat het ontslag van De Vries past in een patroon.

Op Facebook meldde De Vries dat hij ontslag had willen nemen vanwege ‘de ontwikkelingen op het gebied van kerkmuziek’; beunhazerij zou in de vrijgemaakte kerken hoogtij vieren en ook de gemeente van Zuidhorn ‘overspoeld’ hebben. De reden voor het ontslag dat hij kreeg (nog voor hij het had kunnen nemen) is volgens De Vries dat hij een mening heeft (over kerkmuziek, neem ik aan) en die ook wel eens ventileert.

Er sluimert in de kerk altijd een rivaliteit tussen de theologisch-bestuurlijke autoriteiten enerzijds (laten we zeggen: de kerkenraad) en de muzikale experts anderzijds. De geschiedenis van de kerkmuziek laat er talrijke voorbeelden van zien. Soms kwam het tot een openlijk conflict. Meestal was de musicus in het defensief: men vond zijn muziek te hard, te snel, te frivool of te moeilijk. Sommigen werden ontsticht, trokken hun wenkbrauwen op en zwegen ten slotte demonstratief. Hoe vromer ze waren, hoe meer invloed ze hadden. De musicus verdedigde zich of niet, hij bleef of hij vertrok. Als hij bleef werd zijn muziek zachter, langzamer, serieuzer en eenvoudiger.

In de huidige situatie is er een nieuw element. Andere muziek is de kerk binnengeloodst. De musicus kan zich gedrongen voelen om daar iets over te zeggen. Hij heeft immers verstand van muziek. Daar heeft hij voor geleerd. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de muziek in de eredienst.

De vraag waar het om draait is of de muziek een praktijk is met eigen regels en waarden. Zo ja, dan ligt het voor de hand dat vakmusici zeggenschap hebben over die regels en waarden. Zo nee, dan mag de leek bepalen wat gepaste muziek is. Natuurlijk ligt er een wereld tussen ja en nee. Maar de kernvraag blijft wie er muzikaal de dienst mag uitmaken.

In democratische tijden als de onze hebben musici die vinden dat vooral zijzelf iets over muziek te zeggen hebben het niet gemakkelijk. Betekende democratie niet dat iedereen over ieder onderwerp evenveel recht van spreken had? De musicus vindt het akkoordenschema van een tot kerkliedje omgebouwde popsong monotoon en simplistisch, maar ja, het ligt zo goed in het gehoor. Hij vindt een liedje vulgair en plat (‘zoals een a-ha-rend stijgt’), maar ja, we krijgen er zo’n warm gevoel bij. Muzikale argumenten leggen geen gewicht in de schaal. Gevoelens geven de doorslag. Wie ben jij wel dat je denkt te mogen vertellen wat goede muziek is en wat niet? Goede muziek is muziek die zo veel mogelijk mensen raakt.

De tijd van vakmensen als Sietze de Vries is voorbij, althans in kringen waar het ongeschoolde gevoel de dienst mag uitmaken. Ze mogen hun werk nog doen, maar meer en meer gebeurt dat in de marge. Hun ideeën kunnen ze beter voor zich houden. Typisch 2013, maar spijtig voor de kerk.

vrijdag 17 augustus 2012

Liturgie in Jekimovka


Konstantin Paustovski vertelt in zijn memoires dat hij op zeker moment logeert bij de pope van het dorpje Jekimovka. Het mannetje, ‘met dunne grijze strengeltjes in zijn nek’, is doof en straatarm. Bij aankomst ziet Paustovski dat het kruis op de koepel van de kerk scheef staat, zo scheef dat het ieder moment kan neerstorten. Het huisje van de pope is overwoekerd met klimop en wilde sering. De tuin staat vol onkruid: reusachtige klissen en manshoge brandnetels.

In het huis van vader Pjotr heerst een ‘oudemannetjesproperheid’. De vloerplanken zijn zo vaak schoongeschraapt dat ze wel grijs lijken. Er zijn twee boeken in huis: het getijdenboek en de stukgelezen roman Kroniek van het dorp Smoerinov van Zasodimski.

Als de vicaris op bezoek komt, gaat vader Pjotr naar achter om een fles zelfgestookte brandewijn te halen. Het goedje stinkt, aldus Paustovski, naar petroleum en rotte mierikswortel. De vicaris slaat er twee glaasjes van achterover en is meteen aangeschoten. Hij begint het ‘poopje’ verbaal te vernederen (het object van spot grinnikt maar wat) en valt daarna luid snurkend in slaap. Na twintig keer niezen is zijn roes voorbij.

Paustovski is een soort Jelle Brandt Corstius die Rusland achter de schermen toont, maar dan negentig jaar geleden. Het gaat over een stipje op de kaart, een dorpje in de omgeving van Rjazan. Van zulke dorpjes waren er in Rusland duizenden. En in al die dorpjes zullen God en de gemeenschap gediend zijn door zo’n priester, die leeft van zijn aardappels en de appelbomen in zijn tuin.

Paustovski beschrijft het allemaal zonder gewicht. Naar volledigheid streeft hij niet, hij zoekt zijn kracht in het betekenisvolle detail. De rest is suggestie, dat blijft voor de lezer over.

Maar wat hij opschrijft, is prachtig. Als hij uit de trein stapt bij een tussenstationnetje, vanwaar hij met paard en wagen naar Jekimovka gebracht wordt, staat er: ‘De warme lucht van roggevelden woei mij in het gelaat. De stilte der velden, op het gefluit van de verdwijnende trein na door geen klank verstoord, omsloot mij.’ Ja, dan ben je er als lezer bij.

Als de vicaris weg is, gaat de pope maar eens een dienst houden. ’s Zomers gebeurt dat op de eerste verdieping van de kerk. De priester doet zijn kazuifel aan en begint. Hij is zo doof dat hij sommige gebeden haast uitschreeuwt, terwijl andere mompelend ten gehore worden gebracht. Paustovski gaat in de vensterbank zitten (stoffig glas, gescheurd hout), zet het raam open en kijkt naar de wolken. De dienst duurt lang. Als de pope vermoeid zijn kazuifel uittrekt, schiet een boer hem aan die zijn dochter wil laten trouwen.

Het is een wonderlijke gedachte dat er duizenden, zo niet miljoenen van zulke diensten gehouden zijn. Ze zijn verdwenen in de mist van de geschiedenis. Was zijn logé niet aanwezig geweest, dan had vader Pjotr zijn liturgische werk ook gedaan.

Je zou van zoveel vergeefsheid melancholiek worden, als je niet wist dat het niet voor niets is geweest. Openbaring 8: de rook van het reukwerk stijgt met de gebeden van de heiligen op naar God.

vrijdag 6 januari 2012

Weg met de oliebol?


Column, eerder gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad op 6 januari 2012. 

Het is een eigenaardige ervaring om op oudejaarsdag in de trein te zitten en te horen omroepen dat er na acht uur 's avonds geen treinen meer rijden. Ook het busvervoer schijnt dan stil te liggen. De publieke diensten trekken er even de stekker uit: een streep onder het feit dat er een eindpunt bereikt is. Pas met nieuwjaarsdag krabbelen we weer uit de put.

Het zou interessant zijn om na te gaan hoe christenen oud en nieuw beleven. In feite hebben zij op 31 december hun oudejaarsdag al achter de rug. De laatste zondag van het kerkelijk jaar valt ìmmers eind november. Met de eerste adventszondag begint de nieuwe jaarkring. Oudejaarsdag is een dag als andere; op nieuwjaarsdag staat Jezus' besnijdenis centraal.

Natuurlijk, mensen die 'nergens aan doen' hebben ook behoefte aan een ritme in het jaar, aan momenten van afsluiting en begin. Laat hun die dagen maar, zouden christenen kunnen denken, wij vieren onze eigen feesten wel. Het protestantisme heeft in de vorige eeuw toch niet voor niets zijn liturgisch bewustzijn opgekalefaterd?

Eind november stond er in deze krant een stuk van dominee L.E. Leeftink, gereformeerd-vrijgemaakt predikant te Assen. Hij voelt er niet voor om de doden te noemen op de laatste zondag van het kerkelijk jaar - zoals liturgisch bewuste medekerkleden wensen - maar wil dat gewoon blijven doen op 31 december, in de oudejaarsdienst. Zijn argument: we leven als christenen niet bij het kerkelijk jaar, maar bij de christelijke jaartelling. Dat is in haar algemeenheid nogal een krasse bewering, maar zijn punt is duidelijk: op 31 december voelen we nu eenmaal dat het jaar ten einde is en het is niet goed om het geloof van die ervaring los te koppelen.

Is het kerkelijk jaar dan inderdaad een kunstmatige constructie is (zoals Leeftink stelt)? Of zijn christenen te sterk verworteld in het natuurlijke leven, of in de samenleving waarvan ze deel uitmaken? En mag het kerkelijk jaar dan wél los komen te staan van de ervaringen van het dagelijks leven?

Het ontbreekt me aan wijsheid en ruimte om op deze vragen in te gaan. Ik stel slechts een gedachte-experiment voor. We verbeelden ons Nederland als een geheel christelijke samenleving. Elke Nederlander is een trouwe zoon of dochter van de Kerk. Ook de overheid neemt haar christelijke roeping serieus, conform artikel 36 NGB. Er komt een commissie van wijze mannen die de overheid voorlicht over mogelijk beleid rond de viering van oud en nieuw. Drie mogelijkheden worden opgesomd:

1) Weg met de oliebol. Ceremonieel op 31 december wordt verboden en de nieuwjaarsreceptie wordt als een heidens relict strafbaar gesteld.

2) De liturgische rimram gaat overboord. Speciale zondagen worden afgeschaft, inclusief Kerst, Pasen en Pinksteren. Bid- en dankdagen worden in ere hersteld en de diensten met oud en nieuw moeten blijven.

3) We blijven laveren tussen tussen het kerkelijk jaar enerzijds en de jaren onzes Heeren anderzijds.

U, lezer, regeert dit Nederland. Spaart u de kool en de geit?