Posts tonen met het label George Eliot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label George Eliot. Alle posts tonen

zaterdag 5 oktober 2013

Echt niet gebeurd

Mijn eerste RD-column, gepubliceerd op 28 september 2013.

De beste reclame die je tegenwoordig voor een boek kunt maken is de vermelding dat het verhaal gebaseerd is op ‘waargebeurde feiten’. Judith Koelemeijer, Els Florijn en Janne IJmker kunnen erover meepraten.

Deze voorliefde voor de feiten is opmerkelijk. Zouden mensen Het meisje dat verdween níet gekocht hebben als het verhaal uit des schrijvers duim was gezogen? Zijn Nederlanders stiekem nog steeds zo calvinistisch dat ze geen tijd willen besteden aan frivole verzinsels? Is het non-fictionele misschien een excuus voor het lezen van een boek dat men diep in zijn hart als nutteloos beschouwt? Ik hoor vaak genoeg de vraag ‘of het echt gebeurd is’ – en altijd geldt een bevestigend antwoord voor de vraagsteller als een aanbeveling. Literaire non-fictie lijkt het ideale compromis tussen fraaie maar zinledige literatuur en het serieuze werk dat leerzaam is maar droog.

Helaas: wie dat oordeel onderschrijft heeft buiten Aristoteles gerekend. Toen ik een jaar of vijftien geleden voor het eerst zijn Poëtica las, onderstreepte ik enthousiast de passage die nu juist over dit thema handelt. Wat moet een mens meer serieus nemen, vraagt Aristoteles zich af: geschiedschrijving of poëzie (waarbij hij met poëzie ongeveer hetzelfde bedoelt als wij met fictie)? Zeer verrassend spreekt onze toch altijd enigszins prozaïsch overkomende filosoof zich uit voor de poëzie: die is volgens hem filosofischer dan de geschiedschrijving, omdat zij het algemene als onderwerp heeft en de geschiedschrijving het bijzondere. Met een forse vertaalslag om de arm vat ik zijn woorden als volgt op: de historicus schrijft over incidentele, individuele, contingente feiten, terwijl de dichter zich bepaalt tot wat wezenlijk is. De geschiedschrijver is voor Aristoteles niet meer dan boekhouder van de realiteit, terwijl de literator de werkelijkheid doorziet – en zich daarom op een niveau boven de feiten bevindt.

Neem Middlemarch (1871), die geweldige roman van George Eliot. Er is geen woord van waar in de Koelemeijerse zin van het woord. Maar tegelijk krijg je als lezer onontkoombaar de gewaarwording: ja, dit is hoe mensen zijn, hoe ze denken, handelen, spreken. Om maar een voorbeeld te noemen: de werkelijk (!) vrome bankier Bulstrode vreest dat zijn onfrisse verleden openbaar zal worden. Hij heeft zijn hele godsdienstige leven geschipperd met zijn geweten en nu ‘meende hij dat de glorie Gods er meer mee gediend zou zijn als hij de schande kon ontlopen’. Met die verknoping van Bulstrodes eigen reputatie en de ere Gods laat Eliot zien hoe ingewikkeld ook goedbedoelende mensen in elkaar zitten. Daar wordt de lezer wijzer van. Paradoxaal uitgedrukt: het is verzonnen en daarom doet het ertoe.

vrijdag 3 juni 2011

25 delen Bosboom-Toussaint

Column, gepubliceerd in de bijlage 'Gulliver' van het Nederlands Dagblad, 3 juni 2011



Er ligt een pil op mijn bureau. Ik ben vijftig bladzijden op weg en verheug me op de resterende 850 pagina’s van Middlemarch (1872). De mengeling van begrip en distantie waarmee George Eliot haar hoofdpersoon Dorothea Brooke beschrijft, bevalt me wel. Eliot (pseudoniem van Mary Ann Evans: het soort boeken dat zij schreef werd niet geacht een vrouwelijke auteur te hebben) is ironisch, maar niet cynisch.
Over de oom van Dorothea lees ik: ‘De conclusies van mijnheer Brooke waren even moeilijk te voorspellen als het weer: men kon uitsluitend met zekerheid zeggen dat hij met de meest welwillende bedoelingen zou handelen en dat hij daar zo weinig mogelijk geld bij zou uitgeven.’ Want, schrijft Eliot verder, ‘zelfs in een binnenste als een vormeloze brij bevinden zich altijd nog een paar harde kernen der gewoonte’.
De man aan wie de vurig puriteinse Dorothea zich wil toevertrouwen, de geleerde dominee Casaubon, stond in de streek bekend als een man van grote geleerdheid, die werkte aan een theologisch meesterwerk; ook stond hij bekend ‘als een man met geheel eigen inzichten, die duidelijker zouden worden als zijn boek uit zou komen’. Typisch negentiende-eeuwse humor misschien, maar ik krijg er niet snel genoeg van.
Tegelijk vind ik het merkwaardig dat op mijn bureau zoveel vaker Engelse dan Nederlandse romans uit de negentiende eeuw liggen. Dat is iets wat voor meer Nederlandse lezers geldt. We negeren onze eigen negentiende eeuw zonder gewetens- of gemoedsbezwaren.

Zie de Nederlandse boekhandels. Romans van Jane Austen, Charles Dickens en de zussen Brontë zijn op voorraad; aan Nederlandse zijde zal men – zich beperkend tot de negentiende eeuw - niet veel verder komen dan Multatuli, al dan niet in vereenvoudigde vorm.
Begeef ik me met Middlemarch in gezelschap, dan levert dat geen wezenlijk andere reacties op dan wanneer ik een boek van, zeg, Umberto Eco of Ian McEwan onder de arm heb. Maar lees ik een negentiende-eeuwse Nederlander, dan wek ik licht de verdenking daar een of ander ernstig doel mee te hebben: studeert hij Nederlands, moet hij tentamens afnemen, is hij wetenschapper? Je voelt je haast betrapt als je uitlegt dat je Familie en kennissen of de Schetsen uit de pastorie te Mastland leest omdat je daar plezier aan beleeft.
Een jaar of tien geleden verschenen de Camera obscura en De roos van Dekama in de Deltareeks. De reeks is ter ziele en een groot deel van de boeken ligt in de ramsj. Die uitgaven bestendigden het probleem dan ook eerder dan er een oplossing voor te bieden: ze waren te degelijk, te statig, te zwaar, te verantwoord. Als deze titels beschikbaar waren in een gewone uitgave, zouden Hildebrand en Van Lennep in de boekhandel weer met Van der Heijden en De Loo kunnen gaan concurreren.

Na Middlemarch moet ik maar weer eens een paar romans van Bosboom-Toussaint gaan lezen. Wie zegt u? Anna Louisa Geertruida Bosboom-Toussaint (1812-1886), een van de beste Nederlandse schrijvers uit de negentiende eeuw. Haar verzameld werk omvat 25 delen. Ik heb ze in de kast staan – maar er schandalig weinig van gelezen.